Partijen zijn in 1987 gehuwd en in 2007 gescheiden. In hun echtscheidingsovereenkomst is partner- en kinderalimentatie geregeld, waarbij de partneralimentatie mede is afgestemd op fiscale voordelen en een component kinderalimentatie bevat. De man verzoekt de partneralimentatie op nihil te stellen, terwijl de vrouw dit betwist.
Het hof neemt het inkomen van partijen in 2006 als uitgangspunt voor de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Het recente inkomen van de vrouw blijkt hoger dan haar behoefte, waardoor zij in haar eigen behoefte kan voorzien. Desondanks oordeelt het hof dat de partneralimentatie niet zonder meer op nihil kan worden gesteld omdat daarin een kinderalimentatiecomponent is verweven, welke voorrang heeft boven partneralimentatie.
Het hof wijst op vaste jurisprudentie dat bij wijziging van een convenant zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de oorspronkelijke bedoeling van partijen. Omdat nihilstelling van partneralimentatie ook de kinderalimentatiecomponent zou beëindigen, stelt het hof partijen in de gelegenheid zich schriftelijk hierover uit te laten. Verder wordt overwogen dat de man zijn ontslagvergoeding moet inzetten om zijn draagkracht te verhogen.
De beslissing wordt aangehouden tot partijen hun standpunten hebben gegeven.