ECLI:NL:GHAMS:2014:6027
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toewijzing eenhoofdig gezag en vaststelling omgangsregeling voor kinderen na echtscheiding
Partijen zijn in 1997 gehuwd en hebben vier kinderen, waarvan de drie jongste bij de vrouw hun hoofdverblijfplaats hebben. Na ontbinding van het huwelijk is het geschil ontstaan over de verdeling van het gezag en de omgangsregeling.
De vrouw verzocht het eenhoofdig gezag toe te wijzen vanwege ernstige communicatieproblemen met de man, die volgens haar de uitoefening van het gezag belemmerde, onder meer door voorwaarden te stellen aan medewerking zoals bij de paspoortverlenging van de kinderen. De man betwistte deze belemmeringen en stelde dat gezamenlijke besluitvorming mogelijk is.
Het hof oordeelde dat de communicatie tussen partijen zodanig verstoord is dat het gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is. De vrouw wordt daarom belast met het eenhoofdig gezag. Voor de omgangsregeling stelde het hof vast dat de man de kinderen iedere vrijdag na school tot na het avondeten en om de week op zondag van 12:00 tot 18:00 uur bij zich mag hebben, met ophalen en terugbrengen door de man. De verdeling van vakanties en feestdagen blijft in onderling overleg.
Het verzoek van de vrouw om een dwangsom op te leggen bij niet-nakoming van de omgangsregeling werd afgewezen, omdat partijen overeenstemming hadden bereikt en bereid waren zich daaraan te houden. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot eenhoofdig gezag toe en stelt een vaste omgangsregeling vast, terwijl het verzoek tot dwangsom wordt afgewezen.