Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1992 gehuwd en in 2006 gescheiden. De man is verplicht tot betaling van kinder- en partneralimentatie, vastgesteld bij beschikking van 8 maart 2006. In hoger beroep verzoekt de man deze verplichtingen te verminderen of op nihil te stellen vanaf 15 februari 2013, vanwege gewijzigde omstandigheden waaronder zijn arbeidsongeschiktheid en vermogensverlies.
De vrouw betwist dit en stelt dat partijen bewust zijn afgeweken van wettelijke maatstaven bij het vaststellen van alimentatie, waardoor wijziging aan zware eisen is gebonden. Het hof oordeelt dat onvoldoende feiten zijn aangevoerd die dit ondersteunen en dat de man zich niet kan beroepen op gewijzigde omstandigheden met betrekking tot het arbeidsinkomen van de vrouw.
De man heeft aanzienlijke vermogensverliezen geleden door risicovolle beleggingen in een psychische noodtoestand, maar het hof acht dit verwijtbaar. Zijn vermogen was aanvankelijk ruim voldoende om aan alimentatieverplichtingen te voldoen. Het hof stelt vast dat de man voldoende draagkracht heeft om een bijdrage van € 395 per maand voor het kind te betalen en dat het resterende vermogen moet worden aangewend voor onderhoudsverplichtingen. Het verzoek tot wijziging wordt afgewezen en de beschikking van 8 maart 2006 wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vermindering of nihilstelling van kinder- en partneralimentatie af en bekrachtigt de bestreden beschikking.