Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, de man en de vrouw, zijn gescheiden en hebben een minderjarig kind uit hun relatie. De man is arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een uitkering, terwijl de vrouw parttime werkt en kosten maakt voor kinderopvang.
De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking die hem verplichtte €406 per maand te betalen aan kinderalimentatie. Hij verzocht om deze bijdrage te verlagen naar €46 per maand. Het hof onderzocht de behoefte van het kind, de draagkracht van beide ouders en het vermogen van de man.
Het hof oordeelde dat de behoefte van het kind minimaal €650 per maand bedraagt, gebaseerd op het gezinsinkomen ten tijde van de relatie. De draagkracht van de vrouw werd vastgesteld op €149 tot €242 per maand, rekening houdend met haar inkomen en kinderopvangkosten. De man heeft een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een vermogen van circa €316.594, waarvan een deel gereserveerd is voor toekomstige periode zonder inkomen.
Het hof concludeerde dat de man, ondanks zijn arbeidsongeschiktheid, geacht wordt de bijdrage boven zijn draagkracht uit vermogen te voldoen. De bestreden beschikking werd daarom bekrachtigd. De man kan, indien nodig, zijn beleggingsobject verkopen om aan de verplichtingen te voldoen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de alimentatiebijdrage van €406 per maand die de man moet betalen voor zijn minderjarige kind.