ECLI:NL:GHAMS:2014:5534
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A. van Haeringen
- M.M.A. Gerritzen - Gunst
- W.K. van Duren
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eenhoofdig gezag vader en minimale omgangsregeling moeder-kind
In deze zaak staat de vraag centraal wie het gezag over de 14-jarige minderjarige moet uitoefenen en hoe de omgangsregeling met de moeder vormgegeven wordt.
Het hof heeft het advies van de Raad voor de Kinderbescherming gevolgd, die concludeerde dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind is vanwege het grote onderlinge wantrouwen en gebrek aan samenwerking tussen de ouders. De vader oefent momenteel het eenhoofdig gezag uit en handelt naar het oordeel van de Raad in het belang van het kind. De moeder kampt met psychische problematiek en het contact met het kind is verstoord.
De minderjarige is gehoord en heeft aangegeven bij de vader te willen blijven wonen en haar moeder te willen blijven zien. Het hof oordeelt dat het niet in het belang is om de invulling van de omgangsregeling geheel aan de minderjarige over te laten, vanwege haar leeftijd en de grote verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt.
Het hof bepaalt dat de omgang tussen moeder en kind minimaal twee uur per twee weken zal plaatsvinden op een door het kind te bepalen plaats, dag en tijdstip. De omgang is niet afdwingbaar indien het kind geen behoefte heeft. Het hof wijst het verzoek van de moeder af om geen omgangsregeling vast te leggen en benadrukt het belang van psychisch onderzoek en behandeling van de moeder om een veilige omgang te waarborgen.
Uitkomst: Het hof bevestigt het eenhoofdig gezag van de vader en stelt een minimale omgangsregeling vast waarbij het contact tussen moeder en kind minimaal twee uur per twee weken plaatsvindt op een door het kind te bepalen moment.