Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[APPELLANT SUB 1],
[APPELLANT SUB 2],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief Iheeft [appellanten] bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de rechtbank (onder 2.10.), dat de gemeente, SLB, Latei en Vesteda bij overeenkomst van november 2006 ter wijziging van de overeenkomst van terugkoop “een overeenkomst van doorverkoop/verhuur” hebben gesloten (hierna ook: de overeenkomst van november 2006).
grieven II en IIIheeft [appellanten] bezwaar gemaakt tegen vaststellingen van de rechtbank (onder 2.11. en 2.12.) met betrekking tot de inhoud van een koop/aannemingsovereenkomst van 23 augustus 2007 (hierna: de koopovereenkomst) en een leveringsakte van 21 december 2007 (hierna: de leveringsakte 2007).
, in welke akte woordelijk staat vermeld:
dat de ondernemer het recht van erfpacht heeft gesplitst in appartementsrechten overeenkomstig de (ontwerp)akte van splitsing met de daarbij behorende tekening(en) en het in die akte van splitsing vastgesteld en/of aangeduide reglement.
], in welke akte woordelijk staat vermeld:
3.Beoordeling
de grieven 4, 6, 8, 10, 13 en 16op zichzelf terecht naar voren gebracht dat in dit verband, behalve op (de tekst van) de leveringsakte 2007, ook acht moet worden geslagen op de inhoud van de door de partijen getekende koopovereenkomst en de splitsingsakte 2004, waarvan vaststaat dat [appellanten] deze voor het sluiten van de koopovereenkomst heeft ontvangen. Op de vraag wat [appellanten] (mede) op grond van deze stukken heeft mogen verwachten, komt het hof in het navolgende nog terug.
grieven 1, 7, 8 en 9allereerst bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank (onder 4.5. en 4.6.) dat op grond van de overeenkomst van november 2006 er van uit moet worden gegaan dat Latei en SLB niet de bedoeling hebben gehad met [appellanten] een terugkoopregeling overeen te komen, maar een doorverkoopregeling hebben willen aangaan.
De grieven 2 tot en met 6, 8 en 10 tot en met 19richten zich tegen de van dit standpunt afwijkende overwegingen van de rechtbank (onder 4.8 tot en met 4.13). Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
grieven 8, 9 en 20naar voren heeft gebracht, brengt ook de inhoud van de tripartite overeenkomst niet mee, dat tussen partijen een terugkoopregeling geldt. [appellanten] heeft op zichzelf terecht erop gewezen dat in de tripartite overeenkomst de tekst van de terugkoopregeling is opgenomen. In deze overeenkomst is echter tevens verwezen naar de akte van levering en de daarin opgenomen “doorverkoopovereenkomst”. Daarbij volgt uit de tripartite overeenkomst dat de strekking daarvan is, dat Zonnestraal de bestaande rechtsverhouding van SLB jegens [appellanten] overneemt. Uit de door [appellanten] als productie 15 overgelegde verklaring van De Jong, directeur van Latei, volgt niet iets anders. Nu de bestaande rechtsverhouding - zoals hiervoor onder 3.19 is vermeld - geen terugkoopregeling omvatte, heeft [appellanten] naar het oordeel van het hof ook op grond van de tripartite overeenkomst niet erop mogen vertrouwen dat Zonnestraal zich jegens hem tot nakoming van de terugkoopregeling wenste te verbinden.
grief 21tegen de kostenveroordeling heeft gericht, falen derhalve eveneens.