Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in een zaak betreffende bezit en verspreiding van kinderporno. De tenlastelegging betrof het bezit en verspreiden van kinderpornografisch materiaal, waaronder afbeeldingen en filmpjes van kinderen in seksueel getinte houdingen, gedateerd rond februari 2008.
Tijdens het hoger beroep bleek dat het bewijsmateriaal, verkregen via een interregionaal rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de Nederlandse Antillen en Aruba, zonder de vereiste toestemming voor gebruik in deze zaak was overgedragen. Omdat het bezit van kinderporno op Curaçao pas strafbaar werd gesteld in 2010, terwijl het ten laste gelegde feit uit 2008 dateert, ontbrak de juridische grondslag voor het gebruik van dit bewijs.
Het hof concludeerde dat de bewijzen van de doorzoeking op Curaçao niet gebruikt mochten worden. Hierdoor resteerde alleen de bekennende verklaring van de verdachte, wat volgens artikel 341, vierde lid, Wetboek van Strafvordering onvoldoende is voor een veroordeling. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak de verdachte vrij wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.