Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
De feitende feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.
Gerechtshof Amsterdam
Op 12 oktober 2007 was een auto van appellant betrokken bij een kop-staartbotsing. Op die dag had appellant telefonisch contact met Achmea over het afsluiten van een WAM-verzekering voor die auto. Achmea betaalde daarna schadevergoeding uit, maar vorderde later terugbetaling omdat zij stelde dat de verzekeringsovereenkomst pas na de aanrijding was gesloten.
De kantonrechter oordeelde aanvankelijk dat de verzekering pas om 15:14:52 uur was geregistreerd en daarmee na de aanrijding tot stand was gekomen, waarna Achmea in eerste aanleg gelijk kreeg. In hoger beroep betwistte appellant dit en stelde dat de overeenkomst vóór de aanrijding tot stand was gekomen, binnen de korte tijdspanne tussen het begin van het telefoongesprek en het moment van de aanrijding.
Het hof stelde vast dat Achmea niet had bewezen dat de overeenkomst ná de aanrijding tot stand was gekomen. De registratie bij de RDW was niet doorslaggevend en getuigen konden het exacte moment niet bevestigen. Gezien de korte tijdsspanne en eerdere ervaringen van appellant met Achmea achtte het hof het mogelijk dat de verzekering vóór de aanrijding was gesloten. Daarom werd de vordering van Achmea afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van Achmea tot terugbetaling van de schadevergoeding wordt afgewezen omdat niet is bewezen dat de verzekeringsovereenkomst ná de aanrijding tot stand is gekomen.