Uitspraak
mr. H. Vosmeijerte Amstelveen,
Gerechtshof Amsterdam
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2004 gescheiden waarbij zij een convenant sloten over de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. In het convenant werden drie bankrekeningen op naam van de man genoemd met specifieke saldi, maar deze rekeningen werden niet verdeeld in de artikelen die de toedeling aan partijen regelden.
De vrouw stelde dat dit een vergissing was en dat de saldi van deze rekeningen bij helfte verdeeld moesten worden, zoals ook uit eerdere concepten en correspondentie bleek. De man stelde dat de rekeningen al aan hem waren toegedeeld en dat het convenant alleen nog niet verdeelde vermogensbestanddelen betrof.
De rechtbank en het hof ’s-Gravenhage hadden de vorderingen van de vrouw afgewezen, maar de Hoge Raad vernietigde dat arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam. Dit hof oordeelde dat uit de correspondentie en concepten blijkt dat sprake is van een vergissing doordat de verwijzing naar de bankrekeningen niet is aangepast in de artikelen die de verdeling regelen.
Het hof stelde daarom vast dat de bankrekeningen onverdeeld waren gebleven en veroordeelde de man om de vrouw de helft van de saldi te betalen, te weten € 25.324,95, vermeerderd met wettelijke rente. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof stelt vast dat bankrekeningen onverdeeld zijn gebleven door een vergissing en veroordeelt de man tot betaling van € 25.324,95 aan de vrouw.