ECLI:NL:GHAMS:2014:3713
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.V.T. de Bie
- R.G. Kemmers
- J.A. van Keulen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmacht Nederlandse rechter inzake onderhoudsverplichtingen bij internationaal geschil
De zaak betreft een hoger beroep van een man tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoeken om de alimentatieverplichting te wijzigen en terugbetaling van betaalde alimentatie.
De man en vrouw zijn in 1993 in Jeruzalem gehuwd en later in Nederland gaan wonen. Hun zoon is in Nederland geboren, maar vrouw en zoon wonen sinds 1994 niet meer in Nederland. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank had geoordeeld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht had omdat vrouw en zoon geen gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Het hof onderzoekt ambtshalve de rechtsmacht op grond van Verordening (EG) nr.4/2009. De vrouw en zoon verblijven waarschijnlijk nog steeds in Israël, buiten de EU en Lugano-verdragstaten. Omdat de vrouw niet de Nederlandse nationaliteit heeft, is ook artikel 6 van Pro de verordening niet van toepassing. Artikel 7 biedt Pro een uitzonderingsgrond indien geen gerecht in de EU bevoegd is en het geschil nauw verbonden is met Nederland.
De man stelt dat hij wegens risico op aanhouding niet naar Israël kan reizen en ook niet via een advocaat een procedure kan starten. Hij heeft dit echter niet met stukken onderbouwd. Het hof geeft hem daarom drie maanden de tijd om zijn beroep op artikel 7 nader Pro te onderbouwen en houdt de beslissing aan.
Uitkomst: De man krijgt drie maanden de tijd om zijn beroep op artikel 7 Verordening (EG) nr.4/2009 nader te onderbouwen; de beslissing wordt aangehouden.