Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, de man en de vrouw, hebben een minderjarige gezamenlijk, waarbij de man de vader is en de vrouw de verzorgende ouder. De rechtbank had bepaald dat de man een bijdrage van €140 per maand moest betalen voor de verzorging en opvoeding van het kind. De man kwam in hoger beroep en voerde aan dat hij geen draagkracht heeft vanwege zijn WAJONG-uitkering en diverse schulden, waaronder beslaglegging op zijn uitkering.
De vrouw erkende dat het inkomen van de man laag is, maar stelde dat hij onvoldoende had onderbouwd waarom hij niet de minimale bijdrage van €25 per maand kon betalen. Tijdens de zitting in hoger beroep bleek dat de man maandelijks €45 aflost op een schuld, geen aflossing doet op een andere schuld, regelmatig kleding voor het kind koopt en autokosten maakt voor omgang.
Het hof oordeelde dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage te betalen. De beslaglegging op zijn uitkering en zijn netto-inkomen van circa €820 per maand ondersteunen dit. Daarom werd de beschikking van de rechtbank vernietigd en het verzoek van de vrouw afgewezen.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking en wijst het verzoek tot kinderbijdrage af wegens gebrek aan draagkracht bij de man.