Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2008 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en hebben twee kinderen. Het huwelijk is in 2013 ontbonden. De rechtbank bepaalde een zorgregeling en alimentatiebedragen, waartegen beide partijen in hoger beroep zijn gegaan.
De vrouw vordert een hogere kinderalimentatie gebaseerd op het huidige hogere inkomen van de man, terwijl de man betwist dat het inkomen tijdens de samenleving hoger was dan het door de vrouw gestelde bedrag. Het hof stelt vast dat het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving het uitgangspunt vormt voor de behoefte van de kinderen, maar dat het huidige hogere inkomen van de man als maatstaf geldt omdat dit het inkomen ten tijde van de scheiding overschrijdt.
De draagkracht van de man wordt vastgesteld op €800 per maand na rekening te houden met aflossingen van een lening. De vrouw wordt geacht geen draagkracht te hebben. De zorgkorting wordt vastgesteld op 25% vanwege de zorgregeling. De partneralimentatie blijft gehandhaafd omdat de vrouw haar verdiencapaciteit niet kan uitbreiden.
De vrouw verzocht ook een eerdere peildatum voor de verdeling van de banksaldi, maar het hof oordeelt dat de man geen geld aan de gemeenschap heeft onttrokken en dat de peildatum van 20 februari 2012 redelijk is. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de alimentatie betreft en het hof bepaalt de alimentatiebedragen zoals hierboven vermeld.
Uitkomst: Het hof verhoogt de kinderalimentatie naar €197 per kind per maand, bevestigt de partneralimentatie van €151 per maand en handhaaft de peildatum voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.