Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
11 maart 2014
mr. P.P. Klokkerste [vestigingsplaats].
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft het hoger beroep van een verzoeker die zijn faillissement wilde opheffen onder toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De verzoeker was sinds 1995 zelfstandig ondernemer en zag zijn onderneming failliet gaan door economische neergang in zijn plaats. Hij voerde aan dat hij steeds werd bijgestaan door een accountant en dat de schulden grotendeels voortkwamen uit ambtshalve aanslagen van de belastingdienst, mede veroorzaakt doordat de boekhouder stopte met werkzaamheden.
De curator stelde dat de schulden voortvloeiden uit de onderneming en dat de verzoeker geen deugdelijke administratie voerde, waardoor de financiële positie onduidelijk bleef. Tevens waren er na het faillissement nieuwe schulden ontstaan. Het hof oordeelde dat de verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden, mede vanwege het ontbreken van een juiste administratie en het niet indienen van belastingaangiften.
Ook was niet gebleken dat de verzoeker de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle had gekregen, aangezien het staken van de onderneming onvoldoende was en nieuwe schulden waren ontstaan na faillissement. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank dat het verzoek afwees.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling af wegens het ontbreken van goed vertrouwen en het ontstaan van nieuwe schulden.