Uitspraak
1.[geïntimeerde sub 1],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Café [X]. Het betreft hier bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
beogenincidenteel te appelleren tegen het bestreden vonnis. Onjuist is echter hun onder 2 van de memorie van antwoord geponeerde stelling dat “vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep” ook de vordering in reconventie door het hof in volle omvang moet worden meegewogen. Indien [geïntimeerden] een andere beslissing wensen dan (per saldo) bij (het dictum van) het bestreden vonnis is gegeven, dienen zij voor de wederpartij voldoende kenbaar aan te geven op welk punt of welke punten, en waarom, zij een andere beslissing dan die van de lagere rechter wensen. De passages als hiervoor onder 3.3.1 geciteerd zijn op zichzelf onvoldoende om als grieven tegen de voor [geïntimeerden] ongunstige beslissingen te kunnen worden aangemerkt.
grief 3 in principaal appelkomt [appellant] op tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering in conventie onder 2 van (per saldo) € 82.995,=, namelijk dat deel dat betrekking heeft op de door de fiscus verkochte inventaris. [appellant] stelt dat te dezen het gevorderde bedrag van € 10.000,= geheel had moeten worden toegewezen in plaats van slechts het toewijsbaar geachte bedrag van € 1.500,=. Nu [geïntimeerden] incidenteel tegen de desbetreffende toewijzing hebben geappelleerd en [appellant] daarop nog mag reageren, zal het hof ook deze grief tegelijk bespreken met de desbetreffende incidentele grief en iedere beslissing te dezen aanhouden.