ECLI:NL:GHAMS:2014:1404

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2014
Publicatiedatum
23 april 2014
Zaaknummer
200.136.273/01 NOT
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 99 lid 15 Wna
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van klacht tegen notaris wegens gebrek aan belang

Klager stelde een klacht in tegen de notaris omdat deze bij het opmaken van het testament van zijn moeder geen onderzoek zou hebben gedaan naar de afwikkeling van de nalatenschap van zijn overleden vader. De kamer voor het notariaat verklaarde de klacht niet-ontvankelijk omdat deze na de vervaltermijn van drie jaren was ingediend en klager geen voldoende concreet belang had toegelicht.

Klager voerde aan dat hij pas op een comparitiezitting in november 2012 vernomen had dat het onderzoek niet was gedaan. Het hof oordeelde echter dat, ongeacht de vraag of de notaris verplicht was tot onderzoek, klager onvoldoende concreet had toegelicht welke aspecten van de nalatenschap onderzocht hadden moeten worden en hoe dit zijn belangen zou hebben geschaad.

Daarom ontbrak het klager aan belang bij zijn klacht en werd hij niet-ontvankelijk verklaard. Het hof liet de aanvullingen van klager in hoger beroep buiten beschouwing omdat het alleen de oorspronkelijke klacht beoordeelt. De bestreden beslissing werd bekrachtigd.

Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht tegen de notaris wegens gebrek aan belang en overschrijding van de vervaltermijn.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.136.273/01 NOT
nummer eerste aanleg : SHE/2013/39
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 22 april 2014
inzake
[klager],
met woonplaats te [woonplaats],
appellant,
tegen
[notaris]
notaris te[vestigingsplaats],
geïntimeerde.

1.Geding in hoger beroep

1.1.
Van de zijde van appellant (hierna: klager) is bij een op 29 oktober 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de (aan deze beslissing gehechte) beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 21 oktober 2013, waarbij klager niet-ontvankelijk is verklaard in zijn klacht tegen de notaris.
1.2.
De notaris heeft geen verweerschrift ingediend.
1.3.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 3 april 2014. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie.

2.Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.Klacht

Klager heeft in zijn klacht van 24 april 2013 de notaris in hoofdzaak verweten dat deze bij het opmaken van het testament van zijn moeder geen onderzoek heeft gedaan naar de afwikkeling van de nalatenschap van zijn toen reeds overleden vader.

4.Verweer

De notaris heeft geen verweer gevoerd.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft klager niet ontvangen in zijn klacht omdat klager in maart 2010 kennis heeft genomen van het testament en de klacht is ingediend na het verstrijken van de vervaltermijn van drie jaren, zoals bedoeld in artikel 99 lid 15 Wna Pro. Klager heeft aangevoerd dat hij voor het eerst op 5 november 2012 ter gelegenheid van een comparitiezitting heeft vernomen dat de notaris het door hem bedoelde onderzoek niet heeft gedaan.
5.2.
Daargelaten of de notaris in de concrete omstandigheden van dit geval verplicht was een onderzoek te doen naar de afwikkeling van de nalatenschap van klagers vader, heeft klager niet (voldoende) concreet toegelicht naar welke aspecten van de afwikkeling van de nalatenschap de notaris onderzoek had moeten doen en in welk opzicht onderzoek had moeten leiden tot een andere inhoud van het testament van zijn moeder. Klager heeft dan ook onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat het verweten nalaten zijn belangen heeft geschaad, zodat hij belang mist bij zijn klacht. Klager is reeds daarom niet-ontvankelijk in zijn klacht.
5.3.
De onderdelen waarmee klager zijn klacht in hoger beroep heeft aangevuld, moeten buiten behandeling blijven omdat het hof alleen de zaak, zoals die in eerste aanleg aan de orde is geweest, opnieuw in volle omvang beoordeelt.
5.4.
Hetgeen verder nog naar voren is gebracht, kan onbesproken blijven omdat het niet kan leiden tot een andere beslissing.

6.Beslissing

Het hof bekrachtigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.J. Los, A.M.A. Verscheure en A.A. van Berge en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 april 2014 door de rolraadsheer.