ECLI:NL:GHAMS:2014:1210

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2014
Publicatiedatum
7 april 2014
Zaaknummer
23-004203-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep medeplegen hennepteelt met loods ter beschikking stellen en winstdeling

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is de verdachte veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt. Het hof heeft het vonnis bevestigd, behalve de straf, die het vernietigde en verving door een deels voorwaardelijke werkstraf van 180 uur, met een proeftijd van twee jaar en aftrek van voorarrest.

De verdachte stelde zijn loods ter beschikking voor de hennepkwekerij en deelde in de winst, wat het hof als nauwe en bewuste samenwerking kwalificeerde. Het bewijs bestond onder meer uit verklaringen van de verdachte zelf tijdens verhoren en het proces-verbaal van bevindingen bij de aanhouding.

Het hof heeft de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meegewogen, waaronder het ontbreken van eerdere soortgelijke veroordelingen. De opgelegde straf weerspiegelt de bijdrage van de verdachte aan de handel in hennep en de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf van 180 uur met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

parketnummer: 23-004203-12
datum uitspraak: 27 februari 2014
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 september 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-162975-11 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 februari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de op te leggen straf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen zal aanvullen.

Aanvulling bewijsmiddelen en nadere bewijsmotivering

De bewijsmiddelen zoals deze zijn opgenomen in het vonnis van de politierechter d.d. 25 september 2012 worden door het hof als volgt aangevuld:
Aan bewijsmiddel 7 (proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer PL 136 D 2011081772-7 van 1 april 2011, pagina 56) wordt toegevoegd:
Verdachte: Ik heb met [betrokkene] een deal gemaakt. Hij mocht de wietkwekerij in mijn loods beginnen als ik na de kosten ongeveer 15 à 20 % zou krijgen van de winst.
Aan bewijsmiddel 8 (proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer 2011081772-19 van
2 april 2011, pagina 61) wordt toegevoegd:
Verbalisant: Welke werkzaamheden heeft u gedaan in de hennepplantage?
Verdachte: Ik heb af en toe eens om de hoek in de kwekerij gekeken uit nieuwsgierigheid. Ik ben er ook wel eens in geweest om er rond te kijken.
Verdachte: Ik zou voor de kosten, zoals de huur en het gas en licht 17.000 euro krijgen. Ik zou van de netto-opbrengst 20% krijgen.
Voorts wordt toegevoegd bewijsmiddel 9; het proces-verbaal van bevindingen
[nummer 2011081772-5] opgesteld door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ondertekend op 1 april 2011, dossierpagina 28:
Hierop hebben wij, verbalisanten, [verdachte] op 1 april 2011 te 15.25 uur voor perceel Coenhavenweg 36 aangehouden ter zake een vermoedelijke overtreding van de Opiumwetgeving. Nadat ik, 1e verbalisant, de door ons aangehouden verdachte had medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, verklaarde hij ons het volgende: ,,Ik ben de eigenaar van beide plantages. Ik heb de sleutels van het hek en de roldeuren”.
Gelet op de in het vonnis en de hierboven opgenomen bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt. De nauwe en bewuste samenwerking wordt door het hof bewezen geacht met name gelet op het feit dat de verdachte zijn loods ter beschikking heeft gesteld, terwijl hij wist dat hierin een hennepkwekerij zou worden opgebouwd, het feit dat hij zou delen in de winst van de hennepopbrengst en dat hij af en toe in de in werking zijnde kwekerij is geweest.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uur (subsidiair 90 dagen), waarvan 60 uren (subsidiair 30 dagen) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt door zijn loods hiervoor ter beschikking te stellen en te delen in de winst. Hiermee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de handel in en verspreiding van hennep en aan de daarmee gepaard gaande criminaliteit.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 januari 2014 is de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van
mr. L. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
27 februari 2014.
De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. [...]