ECLI:NL:GHAMS:2014:1032

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2014
Publicatiedatum
1 april 2014
Zaaknummer
23-002261-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 Sr
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens rijden onder invloed met overschrijding alcoholgrens

De verdachte werd beschuldigd van het besturen van een personenauto onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 835 microgram per liter, ruim boven de wettelijke grens van 220 microgram. De zaak kwam in hoger beroep nadat de politierechter de verdachte had veroordeeld tot een geldboete, hechtenis als subsidiaire straf en een rijontzegging.

Tijdens het hoger beroep betwistte de verdediging dat de verdachte de bestuurder was, maar het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig. Het hof baseerde zich op verklaringen van de verbalisant, het verhoor van de verdachte en de omstandigheden dat de verdachte alleen in de auto zat. Het hof verklaarde het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd begaan en de persoonlijke situatie van de verdachte, waaronder zijn financiële draagkracht en het ontbreken van eerdere onherroepelijke veroordelingen. De opgelegde straf bestond uit een geldboete van 1200 euro, een subsidiaire hechtenis van 22 dagen en een rijontzegging van 24 dagen, met een deel van de boete voorwaardelijk opgelegd.

Het arrest vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het hof de straf bevestigde en de verdachte veroordeelde voor overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €1200, 22 dagen hechtenis en 24 dagen rijontzegging wegens rijden onder invloed.

Uitspraak

parketnummer: 23-002261-13
datum uitspraak: 25 februari 2014
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 mei 2013 in de strafzaak onder parketnummer 96-036519-13 tegen
[verdachte],
geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
adres:[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 17 februari 2013 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 835 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het de verdachte was die de auto had bestuurd.
Het hof overweegt hierover het volgende:
  • Verbalisant[verbalisant] heeft in het proces-verbaal ter zake van artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 verklaard gezien te hebben dat de verdachte op 17 februari 2013 om 03.19 uur als bestuurder met een personenauto op de weg heeft gereden;
  • De verdachte heeft tijdens het verhoor op 17 februari 2013 ten overstaan van voornoemde politieambtenaar verklaard dat hij niet wist dat hij teveel (naar het hof begrijpt) alcohol had gedronken om nog te mogen rijden (proces-verbaal ter zake van artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994);
  • Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg van 16 mei 2013 heeft de verdachte verklaard dat hij alleen in de auto zat;
  • Verdachte heeft in hoger beroep geen identificerende gegevens verstrekt van de persoon die volgens hem de bestuurder van de auto was.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof de verklaring van de verdachte dat een ander dan hij de auto heeft bestuurd ongeloofwaardig.
Het hof acht daarom het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 17 februari 2013 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 835 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 1200,00 euro, subsidiair 22 dagen hechtenis, te voldoen in twaalf termijnen van elk 100,00 euro per maand, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet Pro 1994.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden in een personenauto na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte in zijn adem te hoog was. Daarmee heeft de verdachte zichzelf en andere deelnemers aan het verkeer ernstig in gevaar gebracht.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om bij oplegging van de straf rekening te houden met de financiële situatie van de verdachte.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 januari 2014 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk ter zake van een misdrijf is veroordeeld. Voorts houdt het hof rekening met de minder hoge draagkracht van de verdachte.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Daarnaast zal het hof een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen van na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.200,00 (duizend tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
12 (twaalf) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van de
geldboetemag worden voldaan in
6 (zes) termijnenvan
1 maand, elke termijn groot
€ 100,00 (honderd euro).
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
24 (vierentwintig) dagen.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. E. de Greeve en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van M.C. Lieberwirth, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 februari 2014.
[...]