ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3279
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt berisping gerechtsdeurwaarder wegens niet voldoen aan kantooreis
De gerechtsdeurwaarder was sinds 2008 niet meer in het bezit van een kantoor in haar vestigingsplaats, nadat haar kantoor was verkocht en zij ernstig ziek werd. De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) gaf haar drie jaar de tijd om een nieuw kantoor te starten, maar dit is niet gebeurd. De gerechtsdeurwaarder voerde overmacht aan wegens ziekte en stelde dat het onredelijk was haar aan de kantooreis te houden.
De kamer voor gerechtsdeurwaarders verklaarde de klacht van de KBvG gegrond en legde een berisping op, met de waarschuwing dat bij het uitblijven van duidelijkheid binnen zes maanden zwaardere maatregelen overwogen zouden worden. De gerechtsdeurwaarder stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.
Het hof bevestigde de feiten en oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder onvoldoende bereidheid heeft getoond om aan de wettelijke eisen te voldoen. Het beroep op artikel 11 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet, dat tijdelijke ziekte als vrijstelling noemt, werd verworpen omdat het hier om een langdurige situatie gaat. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs dat de KBvG niet tegen vergelijkbare gevallen optreedt.
Het hof achtte de berisping passend en stelde de termijn voor het verkrijgen van duidelijkheid op twee maanden. De gerechtsdeurwaarder moet binnen die termijn duidelijkheid verschaffen over haar professionele situatie, anders kunnen zwaardere sancties volgen. De uitspraak benadrukt het belang van naleving van de kantooreis en de beperkte ruimte voor uitzonderingen, ook bij ziekte.
Uitkomst: Het hof bevestigt de berisping en stelt een termijn van twee maanden voor duidelijkheid over de professionele situatie van de gerechtsdeurwaarder.