ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3719
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijking CAO-loonregeling in uitzendovereenkomst fase A
In deze zaak staat centraal of partijen bij een uitzendovereenkomst uitdrukkelijk schriftelijk zijn afgeweken van artikel 30 lid 1 van Pro de CAO voor Uitzendkrachten 2009-2014, dat bepaalt dat in fase A alleen loon verschuldigd is over daadwerkelijk gewerkte uren.
De werknemer, werkzaam als beveiligingsbeambte, stelt dat haar tijdens een gesprek en in de Bevestiging van Uitzending is toegezegd dat zij voor 20 uur per week betaald zou worden, ook als zij niet daadwerkelijk die uren werkte. De werkgever betwist deze stelling.
Het hof stelt vast dat de arbeidsovereenkomst verwijst naar de CAO en dat er geen andere schriftelijke afwijking is vastgelegd. Daarom rust op de werknemer de bewijslast om aan te tonen dat de afwijking mondeling is overeengekomen. Het hof geeft de werknemer de gelegenheid om dit concreet te bewijzen en wijst een datum toe voor getuigenverhoor.
De verdere beslissing wordt aangehouden, waarbij een grief van de werknemer zonder zelfstandige betekenis blijft. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2013.
Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe over de vermeende schriftelijke afwijking van de CAO-loonregeling en wijst een datum voor getuigenverhoor, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.