ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8737
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlies verdienvermogen mede-vennoot café na verkeersongeval
Op 25 februari 1999 werd appellant aangereden door een tram, waarbij de gemeente aansprakelijkheid erkende. Appellant vorderde schadevergoeding voor onder meer verlies aan arbeidsvermogen en zelfwerkzaamheid, alsmede smartengeld en buitengerechtelijke kosten.
Deskundigenrapporten van dr. Dokkum en drs. Koene concludeerden dat bepaalde klachten niet direct aan het ongeval konden worden toegeschreven en dat cognitieve stoornissen onvoldoende objectief waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige Wouters stelde vast dat appellant geen prestatieverlies had in zijn functie als cafébaas, mede omdat hij personeel zou hebben ingezet voor bepaalde werkzaamheden.
De rechtbank wees de vorderingen grotendeels af vanwege onvoldoende bewijs van verlies aan verdienvermogen en zelfwerkzaamheid. Het hof volgde deze beoordeling en verwierp de grieven van appellant, onder meer omdat de aannames over openingstijden en personeelsinzet voldoende waren onderbouwd.
Het hof bekrachtigde de bestreden vonnissen en veroordeelde appellant in de proceskosten van het principaal hoger beroep, waarbij het incidenteel hoger beroep van de gemeente niet werd behandeld wegens gebrek aan belang.
De beslissing bevestigt dat het verlies aan verdienvermogen niet toerekenbaar is aan het ongeval en dat de vorderingen daarom terecht zijn afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst de vordering tot vergoeding van verlies aan verdienvermogen af.