Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
200.134.804/01van:
200.134.807/01van:
Gerechtshof Amsterdam
De moeder en [de man] zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam die de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengde. BJAA had deze verlenging aangevraagd. De moeder stelde onder meer dat de indicatiebesluiten onjuist en ongeldig waren vanwege ontbrekende mandaatbewijzen, onduidelijke besluitvorming en verlopen geldigheidsduur. [De man] werd door BJAA niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen gezag heeft en geen gezin meer vormt met de moeder.
Het hof oordeelde dat [de man] inderdaad niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep. Ten aanzien van de moeder stelde het hof vast dat de indicatiebesluiten niet voldeden aan de vereisten, onder meer doordat de datum van het besluit niet was aangepast en het mandaat van de gezinsmanager niet was aangetoond. Dit leidde tot vernietiging van de indicatiebesluiten.
Door het ontbreken van geldige indicatiebesluiten kon de machtiging tot uithuisplaatsing niet worden verlengd. Het hof wees daarom het verzoek van BJAA af en zag af van een deskundigenonderzoek. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van de moeder werd gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hof vernietigt de indicatiebesluiten en wijst het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing af; [de man] wordt niet-ontvankelijk verklaard.