Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Beoordeling
grief Ikeert de Staat zich tegen de hierboven onder 3.1 sub d weergegeven rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis. De Staat voert aan: (i) dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat ruimte bestond voor een nieuwe toetsing van de belangen van [geïntimeerde] en de Staat bij ontruiming van het pand, (ii) dat de voorzieningenrechter ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de beantwoording van de vraag of de huurder de gekraakte ruimten zeer dringend nodig had en dat hij die vraag ten onrechte heeft beantwoord aan de hand van het tijdsverloop na het vonnis van 21 december 2012, (iii) dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de huurder de gekraakte panden (het hof leest: de gekraakte ruimten in [pand]) niet nodig had, en, ten slotte, (iv) dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet, althans niet kenbaar, in zijn overwegingen het belang van de Staat bij het beëindigen van een strafbare toestand heeft betrokken, althans ten onrechte daaraan minder betekenis heeft toegekend dan aan het belang van [geïntimeerde] bij voortzetting van zijn wederrechtelijke bewoning.
Grief IIklaagt over de veroordeling van de Staat in de proceskosten.