ECLI:NL:GHAMS:2013:4652
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde van niet-gesplitste woningen als afzonderlijke objecten
Het Gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van belanghebbende tegen de vastgestelde WOZ-waarden van drie woningen die niet in appartementsrechten zijn gesplitst. De heffingsambtenaar had de woningen afzonderlijk gewaardeerd alsof zij vrij van huur afzonderlijk verkocht konden worden, gesteund op een taxatierapport met vergelijkingsobjecten.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de woningen elk een eigen keuken, douche en toilet hebben en als afzonderlijke WOZ-objecten moeten worden beschouwd. De waarde is bepaald op basis van de economische waarde bij verkoop, waarbij de fictie geldt dat de woningen afzonderlijk verkocht kunnen worden, ook al zijn ze niet juridisch gesplitst.
Het hof onderschrijft dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen in onderhoudstoestand en dat de stelling van belanghebbende over toenemende criminaliteit onvoldoende onderbouwd is. De waarde van de woningen en de daarop gebaseerde aanslagen zijn niet te hoog vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarden van de woningen worden bevestigd.