Uitspraak
1. Het geding in hoger beroep
2. De stukken van het geding
3. De feiten
4. De klacht van klaagster
5. Het verweer van de notarissen
6. De beoordeling
7. De beslissing
2. [notaris],
1.Het verloop van de procedure
2.Vaststaande feiten
In het testament is onder meer het volgende opgenomen:
“(…) Ter vaststelling van de grootte van het legaat moet de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap geschieden in onderling overleg. (…) Indien in onderling overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de waardering geschiedt deze door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter (…). Na mijn overlijden moet mijn levensgezel bij notariële akte een boedelbeschrijving opmaken. In deze akte worden ook de vorderingen van mijn legatarissen op mijn levensgezel, die uit de legaten voortvloeien, vastgesteld.(…)”.De nalatenschap bestaat voornamelijk uit banksaldi.
“Naar aanleiding van uw vragen aan de heer [naam] heeft de heer [naam] geprobeerd uw vragen te beantwoorden. Hetgeen van zijn kant heeft geleid tot het volgende voorstel aan uw zuster en u:Ter afwikkeling van uw vragen inzake bijdragen van uw moeder in het huishouden e.d. stel ik u het volgende voorstel voor, zoals opgenomen in de bijlage. Uitgangspunt is het vermogen van uw moeder per 1 januari 2006, bijgeteld wordt de nalatenschap van de heer [naam], afgetrokken worden de schenkingen, het successierecht en het voorschot. Per saldo houdt dit in dat uw moeder dan alleen heeft geleefd van haar inkomsten.De aldus berekende erfdelen blijven conform de bepalingen van het testament van uw moeder niet opeisbaar tot het overlijden van de heer [naam].”.
De heer [naam] heeft geweigerd gehoor te geven aan het verzoek van klaagster.
3.De klacht, de gronden waarop deze berust en het verweer
De klachten komen - samengevat - op het volgende neer.
Klaagster is voorts van mening dat de notaris voor een juridisch ondoorzichtige constructie in het testament heeft gekozen, waardoor later discussie is ontstaan tussen de kinderen en de heer [naam] over het al dan niet bestaan van een interingsbevoegdheid van de erfgenaam en het al dan niet verplicht zijn van de erfgenaam tot zekerheidstelling.
Verder heeft de moeder van klaagster onvoldoende haar vrije wil kunnen bepalen doordat de notaris heeft toegestaan dat de heer [naam] bij alle testamentbesprekingen met de moeder van klaagster aanwezig was.
De boedelwaardering heeft ten onrechte niet in gezamenlijk overleg met de legatarissen plaatsgevonden en de kandidaat-notaris heeft geen zelfstandig onderzoek verricht naar de juistheid van de door de heer [naam] aangeleverde gegevens, zelfs niet nadat de legatarissen al diverse keren bezwaar hadden gemaakt tegen de conceptboedelbeschrijving.
De kandidaat-notaris heeft ten onrechte aan de heer [naam] geadviseerd om de waarde van de inboedel op € 1500,= te stellen, heeft de heer [naam] gefaciliteerd bij het weglaten van de gemeenschappelijke auto in de boedelbeschrijving en niet bij de heer [naam] aangedrongen op verrekening krachtens de samenlevingsovereenkomst van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
Verder heeft zij de indruk gewekt haar goedkeuring te hebben gegeven aan het voorstel van de heer [naam] om de peildatum inzake de boedelwaardering te verschuiven van de overlijdensdatum naar 1 januari 2006.
Door deze gehele werkwijze heeft de kandidaat-notaris blijk gegeven van partijdigheid. Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat zij haar onheus heeft bejegend.
Tot slot heeft de kandidaat-notaris niet gecontroleerd of de erfgenaam en de legatarissen het eens waren geworden over de boedelbeschrijving voordat zij de notaris heeft verzocht de akte van boedelbeschrijving te passeren.
Voorts verwijt zij hem dat hij de akte heeft gepasseerd zonder zich ervan te vergewissen of de legatarissen en de erfgenaam het eens waren geworden over de inhoud van de akte. Hij heeft hiermee partijdig gehandeld.
4.De beoordeling van de klacht
De Kamer heeft dit verzoek niet ingewilligd, aangezien zij openlegging van deze dossiers niet noodzakelijk acht voor de beoordeling van de klacht.
Klachtonderdeel 1: het opstellen en passeren van het testament van erflaatster
Klaagster heeft bezwaren tegen de inhoud van het testament van erflaatster. Voor zover de inhoud van dat testament haar niet welgevallig is, kan daaruit echter niet de conclusie worden getrokken dat de (kandidaat-) notaris op enigerlei wijze zijn taak niet naar behoren heeft vervuld.
In het testament is expliciet bepaald dat de legaten pas opeisbaar zullen zijn na overlijden van de partner. Aangenomen mag worden dat erflaatster zich derhalve bewust was van hetgeen dit voor haar kinderen betekende. Niet is komen vast te staan dat de kandidaat-notaris erflaatster onvoldoende heeft geïnformeerd over het door haar gekozen testament en wat dit voor haar kinderen zou betekenen.
De Kamer is van oordeel dat op de door verweerders aangevoerde gronden geen sprake is geweest van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de partner bij het passeren van het testament aanwezig te laten zijn.
Klachtonderdeel 2: de boedelafwikkeling
De Kamer acht het begrijpelijk dat de kandidaat-notaris aanvankelijk de conceptboedelbeschrijving alleen aan de hand van de door de heer [naam] aangeleverde gegevens heeft opgesteld. Ook is het begrijpelijk dat zij de heer [naam] heeft aangeraden om de waarde van de inboedel te bepalen op € 1500,=, in reactie op diens vraag wat een gangbaar en voor de Belastingdienst acceptabel bedrag was, ervan uitgaande dat er geen sprake was van een bijzondere inboedel. De kandidaat-notaris heeft op 16 oktober 2008 het concept van de boedelbeschrijving aan klaagster gezonden en in reactie daarop heeft klaagster op 24 november 2008 een brief gestuurd met het verzoek om een groot aantal stukken ter onderbouwing toe te zenden omdat zij de juistheid van de boedelomschrijving in twijfel trok. Uit deze brief van klaagster bleek dat er aan de kant van klaagster geen vertrouwen was in de opgave van de heer [naam] en dat de relatie tussen hen verstoord was geraakt. Dit had voor de kandidaat-notaris aanleiding moeten zijn om minder aan partijen over te laten en de regie naar haar toe te trekken. Zij had in ieder geval vanaf dat moment het testament als uitgangspunt moeten nemen. Dit betekent dat zij had moeten bevorderen dat de waardering in onderling overleg met de legatarissen tot stand zou komen en zo nodig door tussenkomst van een taxateur. De kandidaat-notaris heeft in haar verweer ook erkend dat zij er beter aan had gedaan om aan te dringen op benoeming van een taxateur.
Uit de stukken blijkt dat de heer [naam] niet alle gegevens voor de boedelomschrijving (goed) had aangeleverd. Hoewel het niet de taak is van een (kandidaat-) notaris om zelfstandig de juistheid van de aangeleverde gegevens te onderzoeken, had de kandidaat-notaris vanwege de verstoorde verhoudingen kritischer naar deze gegevens moeten kijken. Zoals ook is erkend door de kandidaat-notaris, had zij moeten navragen bij de heer [naam] of hij ook nog een auto had die krachtens de samenlevingsovereenkomst tot het gemeenschappelijk vermogen behoorde.
Ook is de Kamer niet gebleken dat de kandidaat-notaris aandacht heeft besteed aan de vraag of krachtens de samenlevingsovereenkomst nog verrekening moest plaatsvinden.
Ten aanzien van de nagekomen gelden van de heer [naam], heeft de kandidaat-notaris aangevoerd dat zij pas in september 2008 door de heer [naam] daarvan op de hoogte is gesteld. Het kan haar dan ook niet worden aangerekend dat zij daarover niet eerder iets had vermeld. Bovendien heeft zij in haar brief van 16 oktober 2008 klaagster alsnog hierover geïnformeerd.
Dit klachtonderdeel is dan ook in zoverre gegrond.
Conclusie
De Kamer is van oordeel dat de bij klachtonderdeel 2 geconstateerde onzorgvuldigheden van de kandidaat-notaris dusdanig ernstig zijn dat ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing dient te worden opgelegd. Zij neemt daarbij in aanmerking dat door de passieve opstelling van de kandidaat-notaris het conflict over de waardering van de nalatenschap onnodig lang heeft voortgeduurd en uiteindelijk tot gerechtelijke procedures heeft geleid.
Ten aanzien van de bij klachtonderdeel 3 geconstateerde onzorgvuldigheid van de notaris [notaris] acht de Kamer oplegging van een maatregel te verstrekkend. De Kamer zal volstaan met de constatering dat de klacht op het bovengenoemde onderdeel terecht is opgeworpen.