Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2000 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd en zijn sinds maart 2011 gescheiden. De rechtbank had een bijdrage van de man in de kosten van de kinderen vastgesteld en een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald. De vrouw kwam in hoger beroep voor een hogere alimentatie, terwijl de man incidenteel hoger beroep instelde voor lagere bedragen.
Het hof beoordeelde de behoefte van de kinderen aan de hand van de werkelijke kosten tijdens de huwelijkse samenleving, die aanzienlijk hoger waren dan het Nibud-niveau van € 5.000 netto per maand. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op respectievelijk € 2.141 en € 1.591 per maand. De behoefte van de vrouw werd eveneens vastgesteld op basis van de periode 2008-2010, rekening houdend met diverse kostenposten zoals kleding, huishoudelijke kosten, persoonlijke verzorging, woonlasten en autokosten, en kwam uit op een aanvullende behoefte van € 12.035 bruto per maand tot 19 november 2014.
De draagkracht van de man kon het hof echter niet beoordelen vanwege onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie. Daarom werd een deskundigenonderzoek gelast om onder meer de mogelijkheden tot dividenduitkering, liquiditeit van vermogensbestanddelen en salarisuitkering te onderzoeken. Partijen kregen gelegenheid zich over de benoeming van de deskundige en het voorschot uit te laten.
De beslissing houdt de zaak aan en stelt partijen in de gelegenheid zich binnen vier weken uit te laten over het deskundigenonderzoek. De uitspraak is gedaan door het hof Amsterdam op 19 november 2013.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en gelast een deskundigenonderzoek naar de financiële situatie van de man.