ECLI:NL:GHAMS:2013:4329

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 september 2013
Publicatiedatum
3 december 2013
Zaaknummer
200.113.023/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderbijdrage en ingangsdatum na echtscheiding

In deze zaak stond de vaststelling van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen centraal. De vrouw vorderde een bijdrage van €300 per kind per maand, terwijl de man betwistte dat hij hiervoor draagkracht had. Het hof stelde vast dat de man niet voldeed aan het bevel om salarisbetalingen te overleggen en onvoldoende bewijs leverde om zijn draagkracht te betwisten.

De man had een arbeidsovereenkomst overgelegd, maar de vrouw betwistte de echtheid hiervan gemotiveerd. Het hof oordeelde dat het op de man rustte om met aanvullende stukken aan te tonen dat hij het salaris daadwerkelijk verdiende, hetgeen hij naliet. Hierdoor kon het hof geen draagkrachtvergelijking maken en ging het uit van de stellingen van de vrouw.

Verder verzocht de vrouw om een terugwerkende kracht van de kinderbijdrage vanaf 1 juli 2010 of subsidiair 11 november 2011. Het hof wees dit af vanwege de omstandigheden, waaronder het feit dat de man in 2010 in het buitenland ging werken om financiële orde te scheppen. Het hof stelde de ingangsdatum vast op de datum van inschrijving van de echtscheiding in de burgerlijke stand.

De beschikking werd vernietigd voor zover de bijdrage was bepaald en vervolgens opnieuw vastgesteld. De man moet vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding €300 per kind per maand betalen, bij vooruitbetaling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het overige in hoger beroep verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: Man moet vanaf inschrijving echtscheiding €300 per kind per maand betalen als bijdrage in kosten verzorging en opvoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 17 september 2013
Zaaknummer: 200.113.023/01
Zaaknummers eerste aanleg: 186855 / FA RK 11-3824 en 191663 / FA RK 12-1245
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
wonende te […],
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam,
tegen
[…],
wonende te […],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. H.R. Carrière te Haarlem.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2.
Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn beschikking van 4 juni 2013.
1.3.
De vrouw heeft op 15 juli 2013 een nader stuk ingediend.

2.De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1.
Aan de orde is de eventueel door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
2.2.
Bij beschikking van 4 juni 2013 heeft het hof, voor zover thans van belang, de man bevolen om binnen drie weken na de datum van de beschikking alle opvolgende bankafschriften waaruit zijn salarisbetaling blijkt van december 2012 en januari, februari, maart en april 2013, over te leggen. Het hof constateert dat de man heeft nagelaten stukken over te leggen en evenmin daarvoor een verklaring heeft gegeven.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen. De man heeft betwist dat hij draagkracht heeft om aan die bijdragen te voldoen. Het lag op de weg van de man dit verweer met feiten en omstandigheden te onderbouwen, nu hij daartoe in staat kan worden geacht. De man heeft in dit kader een arbeidsovereenkomst overgelegd. Nu de vrouw de echtheid van deze overeenkomst gemotiveerd heeft betwist, had het op de weg van de man gelegen om, met behulp van andere schriftelijke stukken, aan te tonen dat hij het salaris dat uit de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt daadwerkelijk verdient, hetgeen hij, ondanks een daartoe strekkend bevel van het hof, nagelaten heeft. Het hof is derhalve van oordeel dat de man de stellingen van de vrouw onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft, zodat hij in staat wordt geacht de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 300,- per kind per maand te betalen. Bovendien is het door deze proceshouding van de man voor het hof niet mogelijk een draagkrachtvergelijking tussen partijen te maken. Nu voorts de door de vrouw verzochte bijdragen de behoefte van de kinderen niet overstijgen, is de conclusie dat het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen en dat van de man afgewezen.
2.4.
De vrouw verzoekt het hof de kinderbijdrage vast te stellen met ingang van 1 juli 2010 subsidiair met ingang van 11 november 2011. De man heeft verweer gevoerd.
Gelet op het feit, dat de man in 2010 in [land] is gaan werken, omdat partijen toen forse geldproblemen hadden en de man aldus financieel orde op zaken zou kunnen stellen (zie tussenbeschikking van dit hof van 4 juni 2013) en gelet op het inkomen van de man in 2012 ziet het hof geen aanleiding een eerdere ingangsdatum vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan.

3.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt de bestreden beschikking voor zover hierbij een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen is bepaald, en opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen een bedrag van € 300,- (drie honderd euro) per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. van den Bergh, M.M.A. Gerritzen - Gunst en A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.