Belanghebbende, eigenaar van een garagebox binnen een complex van 81 boxen, kreeg voor 2010 een aanslag rioolheffing opgelegd van €184,44. De garagebox is aangesloten op de gemeentelijke riolering, maar het beheer en onderhoud van de riolering van het complex zijn voor rekening van de Vereniging van Eigenaren. Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde dat deze willekeurig was, in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, en dat de tariefstelling niet voldeed aan artikel 229b van de Gemeentewet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof volgde dit oordeel. Het Hof oordeelde dat de garagebox civielrechtelijk een zelfstandig perceel is en dat de aanslag terecht is opgelegd. De tariefstelling, gebaseerd op een minimumverbruik van 300 m³ water, is niet willekeurig of onredelijk, ook al is het werkelijke waterverbruik vermoedelijk veel lager. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat de aanslag voor alle zelfstandige garageboxen gelijk is en geen sprake is van begunstigend beleid. Ook het beroep op artikel 229b Gemeentewet faalde omdat deze bepaling niet van toepassing is op rioolheffing.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen veroordeling in kosten opgelegd.