Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2000 gehuwd en in 2010 gescheiden. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. De man was sinds februari 2010 werkloos en ontving een WW-uitkering, terwijl de vrouw een tandartspraktijk exploiteert met een stabiel inkomen. De man verzocht om partneralimentatie, welke door de rechtbank werd afgewezen.
In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de man zich voldoende heeft ingespannen om in zijn levensonderhoud te voorzien, onder meer door sollicitaties en tijdelijke dienstverbanden, maar niet volledig slaagde hierin. De behoefte van de man werd vastgesteld op €2.364 netto per maand in 2013.
De draagkracht van de vrouw werd bepaald op basis van haar winst uit onderneming, rekening houdend met hypotheeklasten en kosten voor de kinderen. Het hof oordeelde dat de vrouw draagkracht heeft om een uitkering van €557 bruto per maand aan de man te betalen vanaf 1 januari 2013.
De beslissing vernietigt het eerdere oordeel over de periode vanaf 2013 en legt de alimentatieverplichting vast, terwijl het verzoek voor eerdere perioden wordt afgewezen omdat de man toen in zijn eigen behoefte kon voorzien.
Uitkomst: De vrouw moet vanaf 1 januari 2013 een partneralimentatie van €557 per maand aan de man betalen.