Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn gehuwd en hebben een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarbij het kind uit hun huwelijk bij de vrouw woont. De man is in hoger beroep gekomen tegen een deel van de beschikking van de rechtbank die zijn verzoek tot bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind afwees.
Het hof hanteert de Tremanormen bij de beoordeling, hoewel deze formeel niet van toepassing zijn omdat partijen nog gehuwd zijn, omdat dit aansluit bij de beoogde afspraken tussen partijen. De draagkracht van de vrouw wordt berekend aan de hand van haar inkomen, lasten, en schulden, waarbij rekening wordt gehouden met een alleenstaandennorm en een draagkrachtpercentage van 70%.
De vrouw heeft een schuld aan de Belastingdienst met een betalingsregeling die haar heffingskortingen en kindgebonden budget beïnvloedt. Het hof neemt haar werkelijke huurkosten en verzekeringslasten mee, evenals aflossingen op schulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan. Uiteindelijk concludeert het hof dat de vrouw in de periode van 1 juli 2011 tot 1 juli 2012 niet in staat was een bijdrage te leveren.
Het verzoek van de man dat de vrouw de kinderbijslag aan hem zou moeten afdragen wordt afgewezen omdat de vrouw deze al ten behoeve van het kind heeft besteed. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep in zoverre af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en oordeelt dat de vrouw in de relevante periode niet in staat was bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.