Uitspraak
mr. J.C.G. Vestjenste Amsterdam,
mr. Y.E.J. Gerardtste Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond het hoger beroep van de Ontvanger van de Belastingdienst tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam centraal, waarin het verzet van de eigenaar van een café-restaurant tegen executoriaal beslag op de inventaris werd toegewezen. De Ontvanger had beslag gelegd wegens loonbelastingschulden van de pachter van het café, maar de eigenaar betwistte dat zij medeverantwoordelijk was voor deze schulden.
Het hof stelde vast dat de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank niet in geschil waren. De eigenaar had het café aanvankelijk zelf geëxploiteerd en de inventaris aangeschaft. Later was het café verpacht aan een vennootschap die de inventaris gebruikte. De Ontvanger beriep zich op het bodemrecht uit de Invorderingswet 1990 om verhaal te halen op de inventaris, ook al was die eigendom van de eigenaar.
Het hof oordeelde dat het bodemrecht niet geldt als sprake is van reële eigendom door een derde, tenzij bijzondere omstandigheden of een afnamebeding medeverantwoordelijkheid rechtvaardigen. In deze zaak was geen sprake van zodanige bijzondere omstandigheden. Het afnamebeding in de pachtovereenkomst was onvoldoende om de eigenaar medeverantwoordelijk te houden. Daarom hoefde de eigenaar het beslag niet te dulden. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde partijen in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het beslag op de inventaris niet toelaatbaar is omdat de eigenaar niet medeverantwoordelijk is voor de loonbelastingschulden van de pachter.