Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2000 gehuwd en hebben drie kinderen. Het huwelijk is ontbonden per 20 december 2012. De man exploiteerde tot 30 juni 2012 een eenmanszaak, waarna hij in loondienst trad bij de onderneming van zijn partner. Hij is voor 54% arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een WIA-uitkering. De rechtbank had een kinderalimentatie vastgesteld van €301 per kind per maand vanaf 1 april 2013.
De man stelde in hoger beroep dat hij geen draagkracht heeft vanwege onherstelbaar inkomensverlies door het staken van zijn onderneming. De vrouw betoogde dat het inkomensverlies door de man zelf is veroorzaakt door het terugschroeven van werkzaamheden en het beëindigen van klantrelaties. Het hof oordeelde dat het inkomen van de man feitelijk is gedaald en dat het inkomensverlies niet herstelbaar is, ongeacht wie schuld heeft aan het staken van de onderneming.
Het hof overwoog verder dat een fictief hoger inkomen niet kan worden gehanteerd omdat dit zou leiden tot een inkomen onder 90% van de bijstandsnorm, wat niet is toegestaan. Daarom werd de kinderalimentatie vanaf 20 december 2012 op nihil gesteld. Het verzoek tot schorsing van de beschikking werd afgewezen omdat het belang daarvan was komen te vervallen door de einduitspraak.
Uitkomst: De kinderalimentatie van de man wordt vanaf 20 december 2012 op nihil gesteld wegens gebrek aan draagkracht door niet herstelbaar inkomensverlies.