ECLI:NL:GHAMS:2013:2941
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.J. Driessen - Poortvliet
- R.G. Kemmers
- J.G. Gräler
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding
Partijen waren in 1986 in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn in 2011 gescheiden. In hoger beroep wordt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap besproken, waarbij de vrouw vier grieven aanvoert tegen eerdere beschikkingen van de rechtbank.
Drie van de vier grieven zijn tussen partijen in hoger beroep opgelost, waaronder de peildatum voor de omvang en waardering van de gemeenschap die wordt vastgesteld op 1 augustus 2012, en de waardering van een auto die aan de man wordt toegedeeld op € 21.050,-. De kern van het geschil betreft de vraag of het saldo van een Duitse bankrekening van de vrouw, gevormd door een nalatenschap van haar moeder, deel uitmaakt van de gemeenschap.
Het hof oordeelt dat volgens vaste rechtspraak de toepasselijke huwelijksvermogenswet bepaalt of een verkrijging uit gift of nalatenschap in de gemeenschap valt. Omdat de moeder van de vrouw niet uitdrukkelijk heeft bepaald dat de nalatenschap buiten de gemeenschap valt en de Duitse testamentaire bepalingen onvoldoende uitsluiting bevatten, valt het saldo van de rekening onder de gemeenschap van goederen. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat het saldo buiten de gemeenschap zou moeten blijven.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikkingen met inachtneming van deze overwegingen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikkingen en bepaalt dat het saldo van de Duitse bankrekening deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap en gelijkelijk verdeeld wordt.