Klagers stelden dat zij eigenaar waren van een vrijstaand landhuis en dat de notaris in 2009 twee notariële akten had gepasseerd betreffende een pad en strook tuin behorend bij die onroerende zaak, zonder hun betrokkenheid. In die akten stond onjuist vermeld dat de eigendom in 1950 was verkregen door een ander dan klagers. Klagers voerden aan dat de notaris hiermee in strijd met artikelen 16 en 21 van de Wet op het Notarisambt had gehandeld en dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld door zijn medewerking niet te weigeren.
De notaris betwistte de klachten en stelde dat de artikelen 16 en 21 Wna niet van toepassing waren op derden zoals klagers, en dat de passering van de akten geen schending van rechten van klagers inhield. Het hof volgde de notaris en oordeelde dat klagers wel belanghebbenden waren voor de tuchtprocedure, maar dat de akten uit 2009 geen inbreuk maakten op hun rechten. De juridische situatie was zelfs hersteld na de tweede akte. De vraag of klagers eigenaar zijn van de onroerende zaak met een ander kadastraal nummer is aan de civiele rechter.
Ook het verwijt dat de notaris niet adequaat had gereageerd op verzoeken van klagers werd ongegrond verklaard, omdat de notaris binnen zijn geheimhoudingsplicht had gehandeld. Het hof bevestigde daarmee de eerdere beslissing van de kamer van toezicht dat de klacht ongegrond is.