ECLI:NL:GHAMS:2013:2591

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 augustus 2013
Publicatiedatum
22 augustus 2013
Zaaknummer
200.120.512/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a RvWet griffierechten burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens termijnoverschrijding betaling griffierecht

De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Haarlem. Het geschil betrof onder meer de nihilstelling van partnerbijdrage en de draagkracht van de man.

Het hof behandelde uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De man had het griffierecht niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken na indiening van het beroepschrift voldaan. De betaling vond te laat plaats, nadat de advocaat verklaarde dat een nieuwe boekhouder door reorganisatie het overzicht was verloren.

De advocaat voerde aan dat toepassing van de niet-ontvankelijkheidsregel onbillijk zou zijn vanwege het grote belang van de man bij inhoudelijke behandeling van de zaak. Het hof oordeelde echter dat de verantwoordelijkheid voor tijdige betaling bij de advocaat ligt en dat organisatorische fouten binnen het advocatenkantoor niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding leiden.

De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat het belang van de man onvoldoende was om een onbillijkheid van overwegende aard aan te nemen. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 6 augustus 2013
Zaaknummer: 200.120.512/ 01
Zaaknummer eerste aanleg: 190892/FA RK 12-964
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
wonende te[woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. M.M. Haverkort te Purmerend,
tegen
[…],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. I. Vledder te Purmerend.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.
1.2.
De man is op 22 januari 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 december 2012 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 190892/FA RK 12-964.
1.3.
Op 6 maart 2013 is een brief van de man ingekomen.
1.4.
De zaak is op 12 juni 2013 ter terechtzitting behandeld. Daarbij is slechts de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde gekomen.
1.5.
Ter terechtzitting is verschenen:
- de advocaat van de man.

2.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1.
Het hof stelt vast dat de man het door hem verschuldigde griffierecht niet binnen de betalingstermijn van vier weken na indiening van het beroepschrift heeft betaald. Het beroepschrift is ingediend op 22 januari 2013 en derhalve had op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) het griffierecht uiterlijk op 19 februari 2013 op de bankrekening van het hof moeten zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moeten zijn gestort. De betaling van het griffierecht is buiten deze termijn ontvangen.
2.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 282a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan. Op basis van het vierde lid van artikel 282a Rv kan de rechter deze bepaling echter buiten toepassing laten indien hij van oordeel is dat de toepassing hiervan gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.3
De advocaat van de man stelt dat het toepassen van het bepaalde in artikel 282a lid 2 Rv in dit geval zou leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.
Zij voert hiertoe aan dat de reden voor niet tijdige betaling van het griffierecht is gelegen in het feit dat het advocatenkantoor per januari 2013 een nieuwe boekhouder heeft aangesteld. Deze boekhouder is door de reorganisatie het overzicht verloren en daarom is per ongeluk de betalingstermijn verstreken. Toen dit de advocaat van de man bekend werd is dezelfde dag, op 4 maart 2013, de nota voldaan.
Daarnaast zijn de belangen van de man bij inhoudelijke behandeling van de zaak groot. Volgens de advocaat heeft de rechtbank zich in de procedure inzake de nihilstelling van de partnerbijdrage duidelijk vergist in de ingangsdatum en blijkt dit onmiskenbaar uit de overwegingen die ten grondslag liggen aan de beschikking. Het verzoek tot een herstelbeschikking is echter afgewezen omdat het een inhoudelijke overweging betrof. De man heeft derhalve een groot belang bij toegang tot het hoger beroep omdat hij anders met terugwerkende kracht partneralimentatie dient te betalen vanaf 1 april 2012 terwijl de rechtbank heeft vastgesteld dat het hem met ingang van die datum aan draagkracht ontbreekt. Ter zitting heeft de advocaat van de man daaraan toegevoegd dat de hardheidsclausule volgens de Memorie van Antwoord niet is beperkt tot de gevallen van een verschoonbaar verzuim.
2.4.
Het hof overweegt als volgt. De termijn voor het tijdig betalen van het griffierecht volgt uit de Wgbz. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de advocaat zorg te dragen voor de tijdige voldoening van verschuldigde griffierechten. Dat de boekhouder van het advocatenkantoor, als gevolg van reorganisatieproblemen, de betalingstermijn heeft laten verstrijken is een omstandigheid die binnen de risicosfeer van de advocaat ligt, die, hoewel aan de advocaat persoonlijk niet verwijtbaar, voor rekening en risico van de advocaat dient te blijven, en kan derhalve niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het hebben van belang bij het hoger beroep is onvoldoende voor toepassing van de hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is weliswaar niet beperkt tot de gevallen waarin de rechtzoekende verschoonbaar in verzuim is geweest, maar het door de advocaat aangevoerde is onvoldoende om in dit geval tot toepassing te leiden.
Ook de overige feiten en omstandigheden die door de advocaat zijn aangevoerd kunnen niet leiden tot de conclusie dat toepassing van artikel 282a lid 2 Rv leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het voorgaande leidt ertoe dat de man niet‑ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.
2.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.A. Joustra, mr. C.G. Kleene-Eijk en mr. L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2013.