Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
De man is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van zijn verzoek om partneralimentatie door de rechtbank Amsterdam. Partijen waren gehuwd in 1982 en het huwelijk werd in 2010 ontbonden. Tijdens het huwelijk leefden zij in grote welstand en werkten beiden in de onderneming van de vrouw. Na het huwelijk beëindigde de man zijn werkzaamheden in de onderneming en richtte zich op vastgoedtransacties.
De man stelde dat hij vanwege zijn leeftijd, ziekte en gebrek aan opleiding niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien en verzocht om een maandelijkse uitkering van de vrouw. Hij overhandigde een behoeftelijst en stelde dat zijn inkomen laag was, terwijl het inkomen van de vrouw aanzienlijk bleef. De vrouw betwistte de stellingen van de man, stelde dat hij onvoldoende bewijs leverde van zijn behoefte en dat hij zelf in zijn onderhoud moet voorzien.
Het hof oordeelde dat de man de stelplicht en bewijslast draagt en dat hij onvoldoende stukken over zijn inkomens- en vermogenspositie had overgelegd. Zijn stellingen over gezondheidsklachten en onvermogen tot zelfvoorziening waren onvoldoende onderbouwd. Het hof concludeerde dat de behoeftigheid van de man niet was komen vast te staan en wees het verzoek tot partneralimentatie af. De draagkracht van de vrouw werd niet verder besproken.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man om partneralimentatie af wegens onvoldoende onderbouwing van zijn behoeftigheid.