Uitspraak
mr. P.J.G. van der Donckte Houten,
mr. J. Bonnemate Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond de indeplaatsstelling van huurder en de verrekening van huurbetalingen centraal. IBR c.s. hadden hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam, waarin zij waren veroordeeld tot betaling van huurpenningen.
Het hof heeft bij een tussenarrest geoordeeld dat meerdere grieven van IBR c.s. falen en dat zij geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid tot bewijslevering. Een door IBR c.s. tijdens het pleidooi ingebracht nieuw punt werd door Heineken bestreden als een nieuwe, te late grief, waar het hof geen acht op sloeg.
Het hof nam kennis van de erkenning dat IBR c.s. de huur over maart 2010 tweemaal hadden betaald, waarvan eenmaal onverschuldigd, en ging ervan uit dat Heineken dit bedrag zal terugbetalen. Uiteindelijk bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank, veroordeelde IBR c.s. in de kosten van hoger beroep en wees hun vordering tot terugbetaling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de grieven van IBR c.s. af.