ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3844
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- W.J. van den Bergh
- M.M.A. Gerritzen-Gunst
- R.G. Kemmers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie: behoefte vrouw en draagkracht man herbeoordeeld
Partijen zijn in 2006 gehuwd en in 2011 gescheiden. De man is directeur-grootaandeelhouder van een holding met verschillende dochtervennootschappen, de vrouw heeft beperkte arbeidsverleden en zorgt voor de kinderen. De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van partneralimentatie, welke hij in hoger beroep aanvecht.
Het hof beoordeelt eerst de behoefte van de vrouw. Gelet op haar beperkte werkervaring, zorg voor kinderen en de nieuwe situatie na echtscheiding acht het hof het niet redelijk dat zij haar werkzaamheden uitbreidt tot een inkomen van €2.400 bruto. Ook wordt geen rendement toegerekend op de overwaarde van de woning, omdat deze niet liquide is. De aanvullende behoefte wordt vastgesteld op €4.300 bruto per maand.
De draagkracht van de man wordt beoordeeld aan de hand van zijn salaris, dividenduitkering en rente-inkomsten uit een rekening-courantvordering op zijn BV. Het hof acht een dividenduitkering van €50.000 per jaar redelijk, ondanks de economische omstandigheden. De woonlasten worden deels toegerekend aan de partner van de man, die een WW-uitkering ontvangt maar binnenkort werk verwacht.
Gelet op deze omstandigheden stelt het hof de alimentatie vast op €4.000 bruto per maand met ingang van 1 september 2011. Eventuele hogere betalingen door de man worden verrekend. De proceskosten worden niet aan de man opgelegd maar dienen te worden gecompenseerd. De beschikking van de rechtbank wordt voor zover van toepassing vernietigd en het hoger beroep van de man wordt afgewezen.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt vastgesteld op €4.000 bruto per maand, waarbij de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw zijn herbeoordeeld.