ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5062
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.G. Kemmers
- A.R. Sturhoofd
- J. Kok
- Rechtspraak.nl
Familielid in de vijfde graad niet bevoegd tot verzoek bewindvoering
In deze zaak stond de vraag centraal of [X], een familielid van [A] in de vijfde graad, bevoegd was om een verzoek tot bewindvoering in te dienen over de goederen van [A]. [A] was de geregistreerd partner van de overleden heer [Z] en leed aan Alzheimer. [Y] was benoemd als executeur en bewindvoerder en behartigde de belangen van [A].
De rechtbank had een beschikking gegeven waarbij een mentorschap en bewindvoering werden ingesteld, waarbij [X] tot mentor en [Y] tot bewindvoerder werden benoemd. [X] stelde hoger beroep in tegen de bewindvoering en verzocht zelf tot bewindvoerder te worden benoemd of een onafhankelijke bewindvoerder aan te wijzen. [Y] verzocht het verzoek van [X] af te wijzen en zijn benoeming te bekrachtigen.
Het hof stelde vast dat de rechtbank alleen het verzoek van [X] had behandeld en niet het verzoek van [Y]. Vervolgens oordeelde het hof dat op grond van artikel 1:432 lid 1 BW Pro alleen bloedverwanten tot de vierde graad bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek tot bewindvoering. Uit een overgelegde stamboom bleek dat [X] een familielid in de vijfde graad was, en dus niet bevoegd. Het hof vernietigde daarom het gedeelte van de beschikking dat bewindvoering instelde op grond van het verzoek van [X].
Omdat het verzoek van [X] niet-ontvankelijk was, kwam het hof niet toe aan verdere beoordeling van andere grieven. Proceskosten werden niet toegewezen en de beschikking werd in zoverre vernietigd.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking voor bewindvoering omdat het verzoek was ingediend door een familielid in de vijfde graad en wijst het verzoek van [X] tot bewindvoering af.