ECLI:NL:GHAMS:2012:BY4277
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over vrijval herinvesteringsreserve 2005 bij gebrek aan herinvesteringsvoornemen
Belanghebbende had in 1999 een herinvesteringsreserve gevormd en stelde dat deze niet in 2003, maar pas in 2005 vrij moest vallen vanwege concrete herinvesteringsvoornemens en bijzondere omstandigheden die tot vertraging leidden. De inspecteur stelde dat vrijval uiterlijk in 2003 had moeten plaatsvinden en dat belanghebbende geen concreet herinvesteringsvoornemen had.
De rechtbank had de aanslag van de inspecteur gehandhaafd en geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij voor 31 december 2003 een begin van uitvoering had gegeven aan een herinvestering. Het Hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat het herinvesteringsvoornemen binnen de groep niet zonder meer aan belanghebbende kan worden toegerekend. Er ontbreken bijkomende omstandigheden waaruit blijkt dat niet een andere groepsvennootschap de investering zou doen.
Het Hof acht het aannemelijk dat binnen de groep een investeringsvoornemen bestaat, maar belanghebbende heeft niet aangetoond dat zij zelf een concreet en verplicht herinvesteringsvoornemen had. Ook het argument dat alle horecaprojecten van de groep in belanghebbende zijn ondergebracht, weegt niet zwaar genoeg omdat het project ook andere functies omvat. De rechtbankuitspraak wordt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; de herinvesteringsreserve valt vrij in 2005.