ECLI:NL:GHAMS:2012:BX9755

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.081.130-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bewijsopdracht en dwaling in civiele procedure

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Amsterdam diende, ging het om een hoger beroep dat volgde op een eerdere uitspraak van de rechtbank. De zaak betreft een geschil tussen een appellant en een geïntimeerde, waarbij de geïntimeerde een beroep deed op dwaling. Het hof oordeelde dat de geïntimeerde niet in haar bewijsopdracht was geslaagd. De getuige [A] had weliswaar het bewijsthema bevestigd, maar het hof vond deze verklaring onvoldoende om het bewijs te aanvaarden. De appellant had verklaard dat [A] niet bij het intakegesprek aanwezig was geweest en dat hij de mededeling die de geïntimeerde beweerde niet had gedaan. Het hof hechtte meer waarde aan de verklaring van de appellant dan aan die van de getuige [A].

Daarnaast overwoog het hof dat de bewijslast bij de geïntimeerde lag en niet bij de appellant. De stelling van de geïntimeerde dat de appellant moest bewijzen dat [A] niet aanwezig was, werd als onjuist bestempeld. Het hof concludeerde dat de geïntimeerde niet voldoende bewijs had geleverd om haar stelling te onderbouwen.

Het hof hield de zaak aan voor een langere termijn om een begrotingsgeschil te laten plaatsvinden, zoals bedoeld in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ). De geïntimeerde had gesteld dat de declaraties van de appellant te hoog waren, maar het hof wees erop dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om over dit geschil te beslissen. De zaak werd verwezen naar de rol van 1 oktober 2013 voor verdere behandeling.

Uitspraak

zaaknummer 200.081.130/01
25 september 2012 (bij vervroeging)
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[APPELLANT],
woonplaats kiezend te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. R.E. [appellant] te Almere,
t e g e n
[GEÏNTIMEERDE],
wonend te [woonplaats],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof heeft in deze zaak op 17 januari 2012 een tweede tussenarrest gewezen (verder ook: het tweede tussenarrest). Voor het eerdere verloop van het geding in hoger beroep wordt naar dat arrest verwezen.
[geïntimeerde] heeft [A] als getuige doen horen. [appellant] heeft [B] en zichzelf als getuigen voorgebracht. Van de desbetreffende (twee) terechtzittingen is telkens proces-verbaal opgemaakt.
Vervolgens heeft [geïntimeerde] onder overlegging van producties een memorie na enquête genomen, waarop [appellant] onder overlegging van één productie heeft geantwoord.
Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.
2. De verdere beoordeling
2.1. Bij het tweede tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] te bewijzen opgedragen dat [appellant] haar (in september 2009) heeft meegedeeld dat zij vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtshulp.
2.2. Het hof acht [geïntimeerde] niet geslaagd in haar bewijsopdracht. Weliswaar heeft de getuige [A], kort gezegd, het bewijsthema bevestigd, maar het hof acht dat onvoldoende om het bewijs van de onderhavige stelling te kunnen aannemen. Het hof overweegt hiertoe dat [appellant] als getuige heeft verklaard dat [A] niet bij het intakegesprek aanwezig is geweest en dat hij, [appellant], kort gezegd, de te bewijzen opgedragen mededeling niet heeft gedaan. Het hof ziet geen aanleiding meer geloof aan de getuigenverklaring van [A] te hechten dan aan die van [appellant]. De getuige [B], ten slotte, heeft niets verklaard waarin steun voor het probandum zou kunnen worden gevonden.
2.3. Naar aanleiding van enkele stellingen van [geïntimeerde] in haar memorie na enquête wordt nog het volgende overwogen. Anders dan [geïntimeerde] meent, wordt de getuigenverklaring van [appellant] niet getroffen door het bepaalde in artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bewijslast ten aanzien van de te bewijzen opgedragen stelling rust immers op [geïntimeerde] en niet op [appellant]. Evenzeer is onjuist – en op niets gebaseerd - de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] moet bewijzen dat [A] niet bij het intakegesprek aanwezig was. [geïntimeerde] geeft verder aan de getuigenverklaring van [A] te ondersteunen. Dit is echter niet van belang, omdat [geïntimeerde] zichzelf niet als getuige heeft doen horen en dus geen verklaring onder ede heeft afgelegd. Ten slotte heeft [appellant] niet pas tijdens de contra-enquête maar al bij akte van 6 december 2011 – naar aanleiding van het desbetreffende bewijsaanbod van [geïntimeerde] bij memorie van antwoord – betwist dat [A] bij het intakegesprek aanwezig was. [appellant] was niet gehouden die betwisting eerder te doen. Van een nieuwe, ontoelaatbare, grief is overigens hoe dan ook geen sprake, omdat de kantonrechter in het bestreden vonnis niets over de aanwezigheid van [A] bij het intakegesprek heeft vastgesteld. De overige stellingen van [geïntimeerde] in haar memorie na enquête kunnen bij gebrek aan belang onbesproken blijven.
2.4. Omdat zij niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, is het door [geïntimeerde] gedane beroep op dwaling, gezien de overwegingen van het tussenarrest van 8 november 2011, ongegrond. Dit betekent dat [geïntimeerde] [appellant] voor zijn werkzaamheden dient te betalen.
2.5. [geïntimeerde] heeft (voldoende gemotiveerd) gesteld dat de declaraties van [appellant] te hoog zijn. Gelet op het bepaalde in de artikelen 32 en volgende van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ), is de burgerlijke rechter niet bevoegd te beslissen over een geschil tussen een advocaat en zijn cliënt met betrekking tot de omvang van het salaris van eerstgenoemde en dient dat salaris in een dergelijk geval te worden begroot door de Raad van Toezicht (RvT), met de mogelijkheid van nadere vaststelling door de rechter op grond van art. 33 WTBZ. Voorts voorziet de regeling in de WTBZ in het afgeven van een bevelschrift door de voorzitter van de RvT respectievelijk de in de WTBZ bedoelde rechter, zodat hier voor het hof in beginsel geen rol is weggelegd. Of dit inderdaad (niet) het geval zal zijn, kan thans echter nog niet worden beoordeeld.
2.6. Het hof zal de zaak op een zeer ruime termijn aanhouden teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen de in de WTBZ bedoelde begroting te doen plaatsvinden en vervolgens de onherroepelijke resultaten daarvan bij akte in het geding te brengen, waarna [geïntimeerde] daarop nog zal mogen reageren.
2.7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 1 oktober 2013 voor het nemen van een akte door [appellant] met het doel als bedoeld onder 2.6, waarna [geïntimeerde] daarop zal mogen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en C. Uriot, en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2012 door de rolraadsheer.