ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5485

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.092.819/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bijstandsverhaal na intrekking recht op bijstand

De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin een verhaalsbijdrage aan de gemeente was vastgesteld. De bijdrage hield verband met bijstand die aan zijn ex-partner, de vrouw, was verleend.

De feiten tonen aan dat het huwelijk tussen de man en de vrouw was ontbonden en dat de vrouw vanaf 1 september 2002 bijstand ontving. De gemeente had het recht op bijstand van de vrouw met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken. Desondanks was de man vanaf 1 maart 2010 verplicht een bijdrage te betalen.

Het geschil betrof de vraag of de gemeente de kosten van bijstand aan de vrouw op de man kon verhalen over een periode na de intrekking van het recht op bijstand. Het hof oordeelde dat omdat het recht op bijstand van de vrouw onherroepelijk was ingetrokken per 1 januari 2006, het verhaalrecht van de gemeente op de man ontbrak. Daarom vernietigde het hof de beschikking en wees het verzoek van de gemeente af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking en wijst het verzoek van de gemeente tot verhaalsbijdrage af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Sector familierecht
Uitspraak: 6 juni 2012
Zaaknummer: 200.092.819/ 01
Zaaknummer eerste aanleg: 457646 / FA RK 10-3438 (TG/NW)
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
wonende te […]
advocaat: mr. S. Mathoerapersad te Amsterdam,
tegen
Gemeente Amsterdam,
zetelende te Amsterdam,
geïntimeerde.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de man en de gemeente genoemd.
1.2. De man is op 24 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 mei 2011 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 457646 / FA RK 10-3438 (TG/NW).
1.3. De gemeente heeft op 15 mei 2012 een verweerschrift ingediend.
1.4. De zaak is op 6 juni 2012 ter terechtzitting behandeld.
1.5. Ter terechtzitting is verschenen:
- de man.
1.6. De advocaat van de man en de gemeente zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2. De feiten
2.1. De man is gehuwd geweest met […] (hierna: de vrouw). Hun huwelijk is op 12 februari 2003 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 8 januari 2003 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 1999. Na ontbinding van het huwelijk zijn uit de relatie tussen de man en de vrouw geboren […] (hierna: [kind B]) [in] 2003 en […] (hierna: [kind C]) [in] 2009. De man heeft [kind B] en [kind C] erkend.
2.2. Aan de vrouw is vanaf 1 september 2002 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder.
2.3. Bij brief van 25 november 2009 is de man door de gemeente verzocht informatie omtrent zijn financiële positie te verstrekken teneinde de gemeente in de gelegenheid te stellen de grens van zijn onderhoudsplicht te bepalen. De gemeente heeft op 23 december 2009 van de man een gedeeltelijk ingevuld inlichtingenformulier zonder nadere stukken ontvangen. Bij brief van 1 februari 2010 is het verzoek herhaald.
2.4. Bij verhaalsbesluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente van 7 maart 2010 is de verhaalsbijdrage die de man aan de gemeente moet betalen, vastgesteld op € 1.485,25 per maand met ingang van 1 maart 2010.
2.5. Bij beschikking van Burgemeester en Wethouders van de gemeente van 7 juli 2011 is het recht op bijstand van de vrouw ingetrokken met ingang van 1 januari 2006.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de vrouw en de kinderen met ingang van 1 maart 2010 € 150,- per maand aan de gemeente zal betalen.
3.2. De man verzoekt primair de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek af the wijzen, althans de bijdrage te verlagen naar een zodanig bedrag als het hof juist acht en in dat geval voorts te bepalen dat de ingangsdatum later komt te liggen dan 1 maart 2010, en subsidiair in ieder geval de bijdrage met ingang van 1 juli 2011 op nihil te stellen wegens beëindiging van bijstandsverlening aan de vrouw.
3.3. De gemeente verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man af te wijzen, althans de verhaalsbijdrage vanwege de intrekking van de bijstandsuitkering op nihil te stellen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Bij het hiervoor onder 2.5. genoemde besluit is het recht op bijstand van de vrouw met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken. Bij besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente van 21 november 2011 is, naar het hof begrijpt, in verband hiermee besloten een bedrag van € 86.999,48 van de vrouw terug te vorderen. De door de vrouw tegen deze besluiten ingediende bezwaarschriften zijn bij beslissingen op bezwaar van respectievelijk 26 januari 2012 en 24 februari 2012 ongegrond verklaard. De primaire besluiten zijn inmiddels onherroepelijk geworden.
4.2. Het inleidend verzoek van de gemeente strekt ertoe te bepalen dat de man met ingang van 1 maart 2010 een verhaalsbedrag aan de gemeente zal voldoen. Het geschil in de onderhavige zaak betreft derhalve een periode gelegen na 1 januari 2006. Nu het recht op bijstand van de vrouw reeds met ingang van 1 januari 2006 onherroepelijk is ingetrokken, is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak het recht van de gemeente om de kosten van bijstand op de man te verhalen, ontbreekt. Dit leidt ertoe dat de grondslag aan het inleidend verzoek van de gemeente is komen te ontvallen.
4.3. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de gemeente afwijzen.
4.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw rechtdoende:
wijst af het inleidend verzoek van de gemeente.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, A.R. Sturhoofd en L.M. Coenraad in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.