ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9005
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake regresvordering en verjaring hoofdelijk schuldenaar
In deze civiele zaak stond een regresvordering centraal waarbij appellant als hoofdelijk schuldenaar meer dan de helft van een gemeenschapsschuld had voldaan en daardoor een vordering op geïntimeerde had verkregen. Geïntimeerde stelde zich op het standpunt dat de vordering verjaard was, omdat appellant na zijn vertrek uit de woning in juli 2006 niets meer had betaald.
Het hof oordeelde dat de vordering niet ziet op een verdeling van een gemeenschappelijk goed, zodat de verjaringstermijn van vijf jaren van toepassing is conform artikel 3:307 BW Pro. Appellant had de vordering ingesteld in januari 2010, waardoor de vordering opeisbaar en ontstaan moest zijn vóór januari 2005. Geïntimeerde had onvoldoende gesteld om vast te stellen dat de vordering verjaard was.
Het hof verwierp het verjaringsverweer en veroordeelde geïntimeerde tot betaling van €813,80 aan appellant. Tevens werd appellant in de kosten van het hoger beroep veroordeeld. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Utrecht en wees het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €813,80 aan appellant en het verjaringsverweer wordt verworpen.