ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7896
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.H. Lieber
- R. Prakke-Nieuwenhuizen
- M.H.H.A. Moes
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen in hoger beroep inzake verdeling nalatenschap en vermeende verbeurdverklaring aandeel
In deze zaak staat de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van partijen centraal. [Appellant] vordert dat het hof verklaart dat [geïntimeerde] haar aandeel in de nalatenschap heeft verbeurd door gelden op onrechtmatige wijze toe te eigenen, gebaseerd op artikel 3:194 lid 2 BW Pro. [Geïntimeerde] betwist dit en stelt dat de opgenomen bedragen rechtmatig zijn betaald als vergoeding voor gemaakte kosten.
Het hof overweegt dat voor een succesvol beroep op artikel 3:194 lid 2 BW Pro moet worden vastgesteld dat sprake is van opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van goederen met het oogmerk de rechten van de andere erfgenaam te verkorten. [Appellant] heeft dit oogmerk onvoldoende onderbouwd gesteld, mede vanwege het verweer van [geïntimeerde] dat zij aanspraak maakte op toegezegde vergoedingen.
Daarnaast is vastgesteld dat [appellant] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, waardoor vereffening van de nalatenschap moet plaatsvinden voordat tot verdeling kan worden overgegaan. Nu niet is gesteld of gebleken dat de nalatenschap is vereffend, is de vordering tot verdeling niet toewijsbaar.
Het hof oordeelt dat de vermeerdering van eis in hoger beroep door [geïntimeerde] niet in strijd is met artikel 353 Rv Pro en de goede procesorde. Uiteindelijk worden de vorderingen van beide partijen afgewezen en wordt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 maart 2011 bekrachtigd. De kosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van partijen af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht.