ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4791
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geschil over meerwerk en coördinatie bij verbouwing kantoorgebouw De Bazel te Amsterdam
Deze zaak betreft een geschil tussen een bouwkundig aannemer en de gemeente Amsterdam over de uitvoering en afrekening van meer- en minderwerk bij de verbouwing van het voormalige bankgebouw De Bazel tot stadsarchief.
De aannemer vorderde betaling van aanzienlijke bedragen voor meerwerk, bouwtijdverlenging, logistieke kosten en andere posten, terwijl de gemeente deze vorderingen grotendeels betwistte op grond van onvoldoende naleving van de meerwerkprocedure, tekortschietende coördinatie en onvoldoende onderbouwing. De rechtbank wees een deel van de vorderingen toe en wees andere af.
In hoger beroep stelde de aannemer onder meer dat de bestekbepalingen omtrent meerwerk niet rechtsgeldig afweken van de UAV 1989 en dat de gemeente zich niet op het ontbreken van schriftelijke opdrachten mocht beroepen. Het hof oordeelde dat de bestekbepalingen wel degelijk voorrang hadden en dat de aannemer gehouden was de schriftelijke meerwerkprocedure te volgen. Tevens werd geoordeeld dat de aannemer tekort was geschoten in haar coördinatieverplichtingen, waardoor de gemeente schade leed.
Het hof gelastte een deskundigenbericht over de omvang van het meerwerk en de verschillen tussen bestek en uitvoering. Diverse grieven van de aannemer werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat de gemeente gerechtvaardigd vertrouwen had dat bepaalde aanspraken niet meer werden gemaakt. Het hof wees onder meer de vergoeding van coördinatiekosten toe aan de gemeente en bevestigde dat de aannemer geen aanspraak kon maken op vergoeding van bouwplaatskosten wegens vertraging zonder concrete specificatie.
De uitspraak geeft een gedetailleerde analyse van de toepassing van de UAV 1989, de meerwerkprocedure, coördinatieverplichtingen en de gevolgen van het niet naleven daarvan in een complexe bouwopdracht.
Uitkomst: Het hof wijst het beroep van de aannemer deels toe en veroordeelt de gemeente tot betaling van circa €6,9 miljoen, terwijl de gemeente in de kosten wordt veroordeeld.