ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6729

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.085.588/01 en 200.085.858/01 NOT
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tuchtklacht tegen notaris inzake afwikkeling nalatenschap en tuchtrechtelijke laakbaarheid

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in hoger beroep over een tuchtklacht tegen een notaris, ingediend door klaagster, die zich benadeeld voelde in de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder. De klacht bestond uit tien onderdelen, waarvan het hof de meeste ongegrond verklaarde. Het hof oordeelde dat de notaris in zijn rol niet partijdig heeft gehandeld, maar dat hij wel tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door kosten van de tuchtprocedure ten laste van de nalatenschap te brengen. Dit was niet toegestaan en werd als een ernstige fout beschouwd. Het hof oordeelde verder dat de notaris niet tijdig een specificatie van zijn declaraties had verstrekt, maar dat de vertraging van tweeëneenhalve maand niet tuchtrechtelijk laakbaar was. De notaris had ook geen volmacht om over de bancaire saldi van de boedel te beschikken en had klaagster jarenlang informatie onthouden over een niet-rentedragend saldo. De notaris had bovendien een hoogleraar ingeschakeld zonder toestemming van klaagster en diens advies tegen haar gebruikt. Het hof legde de notaris de maatregel van waarschuwing op, waarbij het hof de langdurige en emotionele aard van de nalatenschapsafwikkeling als verzachtende omstandigheid meebracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
Beslissing van 21 februari 2012 in de zaken onder de nummers
200.085.588/01 NOT van:
[naam ] wonende te [plaats],
APPELLANTE,
gemachtigde: mr. F.M.J.P. Heckmans, advocaat te Kerkrade-West,
t e g e n
MR. [naam],
notaris te [plaats]
GEÏNTIMEERDE,
gemachtigde: mr. N.E.N. de Louwere, advocaat te Waalre,
en
200.085.858/01 NOT van:
MR. [naam],
notaris te [plaats]
APPELLANT,
gemachtigde: mr. N.E.N. de Louwere, advocaat te Waalre,
t e g e n
[naam] wonende te [plaats],
GEÏNTIMEERDE,
gemachtigde: mr. F.M.J.P. Heckmans, advocaat te Kerkrade-West.
De partijen worden hierna respectievelijk klaagster en de notaris genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Van de zijde van klaagster is bij een op 14 april 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond, verder te noemen de kamer, van 17 maart 2011, waarbij de klacht van klaagster tegen de notaris gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond is verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing is opgelegd.
1.2. Van de zijde van de notaris is bij een op 18 april 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tegen dezelfde beslissing tijdig hoger beroep ingesteld.
1.3. Bij stukken van 30 mei 2011, 15 juni 2011 – met bijlagen –, 30 juni 2011, 30 augustus 2011 en 12 december 2011 hebben partijen hun standpunt nader toegelicht en over en weer op het standpunt van de ander gereageerd. Bij brief van 9 december 2011 zijn van de zijde van klaagster ten behoeve van de mondelinge behandeling nog stukken overgelegd.
1.4. De zaken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2011. Klaagster, de notaris en hun gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd.
2. De stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3. De feiten
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt zodat het hof zal uitgaan van de door de kamer in eerste aanleg vastgestelde feiten.
4. Het standpunt van klaagster
Tegen de weergave door de kamer van de klacht van klaagster zijn in hoger beroep geen bezwaren aangevoerd, zodat het hof die overneemt. De klacht van klaagster bestaat uit tien onderdelen.
4.1. Uit de specificatie van 10 september 2009 blijkt dat de notaris jarenlang in strijd heeft gehandeld met zijn verplichting zijn ambt in onafhankelijkheid uit te oefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootste mogelijke zorgvuldigheid te behartigen. De notaris heeft in de periode waarin hij zich volgens de regels had moeten terugtrekken en met een afzonderlijke partij geen contact mocht hebben, anders dan voor het verstrekken van de noodzakelijke inlichtingen, veelvuldig contract onderhouden met de overige erven en hen en hun advocaten met raad en daad bijgestaan in hun strijd tegen klaagster en de belangen van klaagster ernstig geschonden.
4.2. De notaris heeft 2/7e deel van alle kosten op het erfdeel van klaagster ingehouden, terwijl de notaris volgens het vonnis van de rechtbank Maastricht van 24 oktober 2007 alleen maar 2/7e deel van de notariële kosten ter zake van het opstellen van de akte van verdeling en levering mocht inhouden. Klaagster heeft uitdrukkelijk toestemming om bedragen op haar erfdeel in te houden, aan de notaris onthouden. De door de notaris ingehouden kosten hebben voornamelijk betrekking op de bijstand die hij in strijd met de regels aan de overige erven heeft gegeven bij hun juridische strijd tegen klaagster en op andere kosten die niet het opstellen van de akte betreffen.
4.3. De notaris heeft maandenlang een specificatie van zijn declaraties achtergehouden. Pas nadat in deze kwestie bij brief van 9 september 2009 de interventie van de voorzitter van de kamer van toezicht Maastricht was verzocht, ontving klaagster op 10 september 2009 een specificatie. Omdat de handgeschreven specificatie betrekking had op de declaratie van 29 januari 2009 moet de conclusie zijn dat die specificatie al op 29 januari 2009 gereed was. De andere specificatie was een computeruitdraai uit het declaratieprogramma van de notaris, die met een druk op de knop te vervaardigen is. Niet valt in te zien waarom de notaris de specificatie niet aan klaagster heeft toegezonden toen daarom op 29 juni 2009 werd gevraagd.
4.4. Blijkens de afrekening inzake het saldotegoed van de nalatenschap heeft de notaris tot 1 januari 2007 een bedrag van € 2.456,01 voor de boedel geïncasseerd. Ondanks een verzoek daartoe van klaagster heeft de notaris dat bedrag niet gespecificeerd, waardoor klaagster niet kan nagaan welke betalingen dit bedrag betreft en van wie die afkomstig zijn.
4.5. De notaris heeft ondanks meerdere verzoeken zijn oude uurtarieven, waarvan hij bij het opstellen van de declaratie van 29 januari 2009 is uitgegaan, niet aan klaagster opgegeven.
4.6. De dag na de loting heeft de notaris medegedeeld dat een onderdeel (onderstuk) van de klok die klaagster door de verdeling in eigendom had verkregen, op het notariskantoor was achtergebleven en door haar kon worden opgehaald. De gemachtigde van klaagster heeft meteen de notaris geschreven dat hij het onderdeel zou ophalen. De notaris heeft dat aan de overige erfgenamen voorgelegd, terwijl hun mening, gezien de eigendom van klaagster niet relevant was en hij heeft vervolgens het onderdeel aan de overige erven, die geen rechthebbenden waren, afgegeven, en niet aan klaagster.
4.7. Uit een van de notaris ontvangen financieel jaaroverzicht over 2005 betreffende de boedelrekening bij de Rabobank, bleek dat bij die bank een bedrag van € 41.603,08 op een niet-rentedragende rekening stond. De notaris heeft klaagster jarenlang hierover informatie onthouden. Bij brief van 3 maart 2006 is de notaris verzocht het bedrag over te maken naar een rentedragende rekening. De notaris heeft op dat verzoek niet gereageerd en daarom is het verzoek op 23 maart 2006 schriftelijk herhaald. Op 31 mei 2006 zond de notaris aan klaagster ter ondertekening een volmacht, waarin hij onder meer werd gemachtigd om alle financiële waarden van de nalatenschap te (her)beleggen en te beheren. De notaris heeft ondanks meerdere verzoeken daartoe van klaagster, laatstelijk van 14 juli 2006, geweigerd een specifieke volmacht op te stellen en te aanvaarden om het saldo rentedragend te maken. De notaris heeft zonder klaagster daarover te informeren in 2006 gecorrespondeerd met de Rabobank over het niet-rentedragende saldo. Hij weigert een kopie van die correspondentie aan klaagster te verstrekken. De notaris heeft klaagster informatie onthouden als vermeld in de brief van de Rabobank van 26 oktober 2006. De notaris was sinds 2001/2002 op de hoogte van het feit dat het saldo niet meer rentedragend was, maar heeft niets gedaan met de informatie die hij jaarlijks van de Rabobank ontving.
4.8. De notaris heeft buiten medeweten en opdracht van klaagster maar wel mede op haar kosten haar zaak voorgelegd aan een hoogleraar en vervolgens diens advies gebruikt tegen klaagster. De notaris weigert de naam van de hoogleraar te noemen en het advies ter beschikking van klaagster te stellen. De notaris heeft zijn ambtsgeheim geschonden door een derde zonder haar toestemming volledig van haar zaak op de hoogte te brengen. De notaris weigert ook de correspondentie die hij over de zaak van klaagster met derden heeft gevoerd, aan haar ter beschikking te stellen.
4.9. In zijn brief van 6 augustus 2009 heeft de notaris klaagster en haar gemachtigde onder dreiging van het verbeuren van dwangsommen onder druk gezet om de reeds aanhangige klachtonderdelen in te trekken. Die hadden echter geen betrekking op de betaling door [naam], waarop de dwangsommen zagen. De notaris probeert aldus op onoorbare wijze van een tegen hem gerichte klacht af te komen.
4.10. In zijn brief van 26 augustus 2009 aan de Deken van de Orde van Advocaten heeft de notaris klaagster en haar gemachtigde in een kwaad daglicht gesteld door te beweren dat de gemachtigde zich namens klaagster bleef verzetten tegen de uitbetaling door [naam], terwijl hij het geld in werkelijkheid al lang onder zich had.
5. Het standpunt van de notaris
De notaris heeft de stellingen van klager betwist en verweert zich als volgt.
5.1. De notaris betwist bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster partijdig te hebben gehandeld of de belangen van klaagster te hebben geschaad. Sinds het openvallen van de nalatenschap in 1979 is er een zeer ernstige controverse geweest tussen klaagster en de overige erfgenamen. De notaris heeft steeds met de grootst mogelijke omzichtigheid geacteerd. Hij heeft klaagster en haar gemachtigde regelmatig en eenduidig geïnformeerd over de relevante feiten van de afwikkeling van de nalatenschap. De andere erfgenamen hebben tegen klaagster geprocedeerd. Anders dan klaagster suggereert was de notaris daartoe nooit de initiatiefnemer. Zijn rol bij de aanzet tot de beide procedures was een objectiverende, die zich beperkte tot voornamelijk juridische informatie.
5.2. De notaris is van mening dat hij op grond van het vonnis van de rechtbank Maastricht gerechtigd is de onderhavige kosten op het erfdeel van klaagster in mindering te brengen. Met betrekking tot dat honorarium heeft hij zich door gekwalificeerde deskundigen laten adviseren. Als ringvoorzitter heeft hij bovendien talloze declaratiegeschillen beslecht, waardoor hij inzicht heeft in de problemen die daarbij spelen.
5.3. De notaris betwist gegevens te hebben achtergehouden. Hij heeft in het kader van de uiteindelijke afwikkeling van de nalatenschap een specificatie van zijn honorarium gegeven. Nadat op zijn kantoor een geautomatiseerd tijdschrijf¬systeem is ingevoerd zijn de sindsdien bestede uren daarin verwerkt. De uren die in de lange daaraan voorafgaande periode zijn besteed moesten worden herleid aan de hand van de stukken in de desbetreffende dossiers. De productie van die specificatie was zeer tijdrovend en is daarom eerst in het afrondende stadium van de boedel afwikkeling gereed gekomen.
5.4. De notaris heeft geen volmacht gehad om te beschikken over de bancaire saldi van de boedel. In het kader van de slotafwikkeling (de akte van 11 september 2009) hebben alle erven een specificatie ontvangen van de gelden die zich toen onder de notaris bevonden. De notaris wijst erop dat hij bij zijn benoeming in 1992 werd geconfronteerd met de kantooradministratie van zijn beide voorgangers. Het is ondanks grote inspanningen niet gelukt die administratie sluitend te krijgen.
5.5. De notaris heeft verwezen naar zijn brieven van 15 en 30 oktober en 11 november 2009, waarop hij geen antwoord heeft gekregen. In eerstgenoemde brief heeft de notaris de gemachtigde van klaagster, die kort daarvoor de hoedanigheid van advocaat had verloren, verzocht hem, voordat hij de gevraagde gegevens zou verstrekken, eerst kenbaar te maken in hoeverre hij nog bevoegd was om voor klaagster op te treden. In de daarop volgende brieven heeft hij gememoreerd dat hij op zijn vraag nog geen antwoord had gekregen.
5.6. Na afloop van de loting hebben alle deelgenoten de verlote zaken meegenomen. Klaagster heeft toen niet gereclameerd. Eerst achteraf is de notaris gebleken dat een onderdeel van de klok op zijn kantoor was achtergebleven. De notaris heeft klaagster gemeld dat zij het onderdeel kan komen ophalen. Vervolgens is er kennelijk het een en ander misgegaan.
5.7. Bij brief van 28 maart 2008 heeft de notaris de Rabobank verzocht de rekening waarop het saldo stond op te heffen en het saldo te storten op de rekening van het notariskantoor. Hij noch zijn voorgangers heeft/hebben ooit enige bevoegdheid gehad ten aanzien van dat tegoed en aan klaagster is nooit de mogelijkheid ontzegd inzage te nemen in de ten notariskantore beschikbare bescheiden. Klaagster heeft na de ontdekking nooit willen meewerken aan de verlening van een volmacht aan de notaris om over het tegoed te kunnen beschikken.
5.8. De notaris achtte het niet opportuun om de personalia van de door hem ingeschakelde hoogleraar bekend te maken, omdat hij reden had te vrezen dat die hoogleraar dan door klaagster en/of haar zoon ter verantwoording zou worden geroepen of anderszins lastig gevallen. De notaris heeft de hoogleraar ingeschakeld om zich te laten adviseren over de wijze waarop het vonnis van de rechtbank Maastricht van 24 oktober 2007 moest worden uitgevoerd. De hoogleraar heeft inzage gehad in het vonnis. De aan hem verstrekte informatie was juist en zijn advies is integraal weergegeven.
5.9. De notaris wijst erop dat de voorzieningenrechter aan klaagster dwangsommen heeft opgelegd in zijn kortgedingvonnis van 30 juli 2009. Het kan niet klachtwaardig zijn als de notaris daaraan refereert. Bovendien heeft hij zich over zijn handelen uitgebreid door deskundigen laten adviseren.
5.10. De notaris heeft met betrekking tot het tiende klachtonderdeel geen afzonderlijk verweer gevoerd.
6. De beoordeling
6.1. Het eerste klachtonderdeel is door de kamer ongegrond geoordeeld op grond van de overweging dat de stellingen van klaagster in het licht van de betwisting door de notaris onvoldoende concreet zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de notaris partijdig is geweest. In ieder geval kon volgens de kamer uit de gestelde hoeveelheid contacten van de notaris met de overige erfgenamen niet zonder meer die partijdigheid worden afgeleid.
6.1.1. Het hof deelt dit oordeel van de kamer. Ook in hoger beroep heeft klaagster haar stellingen niet nader geconcretiseerd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
6.2. De kamer heeft het tweede klachtonderdeel ongegrond geoordeeld op grond van de volgende overweging. Het vonnis van de rechtbank Maastricht dwingt niet tot de beperkte uitleg die klaagster daaraan geeft, namelijk dat zij alleen zou hoeven bij te dragen aan de kosten van het opstellen van de akte van verdeling en levering. De verdeling van de nalatenschap heeft meer notariële kosten meegebracht. De werkzaamheden van de notaris zijn werkzaamheden die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, in welk geval de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen moeten bijdragen in de kosten daarvan (artikel 3:172 BW ). Van een andersluidende regeling is niet gebleken en klaagster heeft ook onvoldoende onderbouwd dat ten gunste van haar op andere gronden zou moeten worden afgeweken van de onderlinge draagplicht naar evenredigheid, aldus de kamer.
6.2.1 Het hof deelt het standpunt van de kamer over de uitleg van het vonnis van de rechtbank; ook de overige notariskosten die nodig waren om tot een verdeling van de nalatenschap te komen kunnen worden geacht te zijn begrepen in de door de rechtbank bedoelde “notariële kosten terzake het opstellen van de akte van verdeling en levering”, waarin klaagster moet meedelen. Eventuele klachten over dubbel declareren of over de hoogte van de declaratie kan klaagster aan de ringvoorzitter voorleggen. Niettemin acht het hof, anders dan de kamer, dit klachtonderdeel ten dele gegrond. Gebleken is immers dat de notaris ook de kosten die hij heeft gemaakt in het kader van de tuchtprocedure ten laste van de nalatenschap heeft gebracht. Dit staat hem niet vrij en is tuchtrechtelijk laakbaar.
6.3. De kamer heeft het derde klachtonderdeel gegrond geoordeeld en daartoe als volgt overwogen. Klaagster heeft bij brief van 29 juni 2009 verzocht om een deugdelijke gedetailleerde specificatie van de declaraties van 29 januari 2009 en 15 juni 2009. De notaris heeft deze eerst verstrekt op 10 september 2009, na interventie door de voorzitter van de kamer van toezicht. Aldus heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende verplichting de verzochte specificatie te verstrekken binnen een redelijke termijn nadat daarom was verzocht. Dit klemt temeer, nu het om een zogenaamde ruzieboedel ging.
6.3.1. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat een periode van tweeëneenhalve maand om te voldoen aan een verzoek om specificatie, ook in een ruzieboedel, niet zodanig lang is dat dit tuchtrechtelijk laakbaar is. Hierbij speelt een rol dat de specificatie betrekking had op een periode van drie decennia. Het feit dat de specificatie eerst is verstrekt na interventie van de voorzitter van de kamer van toezicht valt te betreuren, maar maakt het oordeel over de tuchtrechtelijke laakbaarheid van de vertraging niet anders. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
6.4. De kamer heeft het vierde klachtonderdeel gegrond verklaard en daartoe overwogen dat de notaris gelden die hij ten behoeve van de deelgenoten/erven heeft ontvangen, moet kunnen specificeren aan de hand van een daarop ingerichte administratie, hetgeen hij heeft nagelaten, doordat hij slechts opgave heeft gedaan van de hoogte van het ontvangen bedrag.
6.4.1. Het hof deelt voormeld oordeel van de kamer en maakt het tot het zijne.
6.5. De kamer heeft het vijfde klachtonderdeel ongegrond geoordeeld op grond van de overweging dat normaal gesproken een verzoek om een schriftelijke machtiging onnodig formeel zou zijn, maar gezien de langdurige spanningen tussen klaagster, de overige erven en de notaris de vraag naar een volmacht in dit geval niet onredelijk was.
6.5.1. Het hof deelt voormeld oordeel van de kamer en maakt het tot het zijne.
6.6. De kamer heeft het zesde klachtonderdeel gegrond geoordeeld en daartoe als volgt overwogen. De notaris heeft over het achtergebleven onderdeel wisselende standpunten ingenomen. Bij brief van 11 juli 2008 heeft hij klaagster gemeld dat er een onderdeel was achtergebleven, dat zij kon komen ophalen. Bij een latere brief (van 11 of 14 juli 2008) heeft hij haar geschreven dat hij haar opmerkingen over de klok zou doorleiden aan de overige erfgenamen en dat ophalen daarom vooralsnog niet aan de orde was. Een door klaagster ingeschakelde gerechtsdeurwaarder kreeg te horen dat het onderdeel zich niet meer op het kantoor van de notaris bevond. In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de notaris aangevoerd dat alle erfgenamen het hun toekomende na de loting hadden meegenomen, maar bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft hij erkend dat hem inderdaad achteraf was gebleken dat een onderdeel van de klok van klaagster was achtergebleven. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld door zich, zelfs na een bezoek van een gerechtsdeurwaarder, onvoldoende ervan te vergewissen of het onderdeel van de klok op zijn kantoor aanwezig was en door de wisselende informatie die hij over deze kwestie heeft verschaft. Aldus is de notaris slordig omgesprongen met de belangen van klaagster.
6.6.1. Het hof deelt voormeld oordeel van de kamer en maakt het tot het zijne.
6.7. De kamer heeft het zevende klachtonderdeel gegrond geoordeeld. Daartoe is het volgende overwogen. De notaris heeft niet betwist dat hij jaarlijks stukken van de Rabobank ontving waaruit bleek dat het onderhavige bedrag sinds 13 februari 2001 op een niet rentedragende rekening stond. De notaris heeft die informatie voor klaagster en de overige erfgenamen achtergehouden, waardoor hij hun belangen niet goed heeft behartigd. Ook had de notaris niet voorbij mogen gaan aan de wens van klaagster om een volmacht af te geven die slechts een beperkte strekking had en niet een algemene volmacht.
6.7.1 Het hof deelt voormeld oordeel van de kamer en maakt het tot het zijne.
6.8. De kamer heeft het achtste klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond geoordeeld op grond van de volgende overwegingen. De notaris mag de kosten van een door hem ingeschakelde adviseur alleen dan aan de erfgenamen in rekening brengen als zij tot het inwinnen van dat advies toestemming hebben gegeven. Niet is gebleken dat de notaris voor het achterhouden van de personalia van de ingeschakelde deskundige valide redenen had. Een afschrift van het advies van de deskundigen had aan klaagster moeten worden verstrekt, zeker nadat zij daarom had gevraagd. Alleen dan kon zij dat advies immers toetsen. In zoverre is het klachtonderdeel gegrond. De kamer is echter niet gebleken dat de notaris zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Als een zodanige schending kan niet gelden dat de notaris aan de deskundige een afschrift van het vonnis van de rechtbank Maastricht ter inzage heeft gegeven. Dat de notaris de deskundige ook andere bescheiden heeft verstrekt is niet gebleken en evenmin is komen vast te staan dat de notaris de hoogleraar volledig van de zaak van klaagster op de hoogte heeft gebracht.
6.8.1 Het hof deelt het oordeel van de kamer en maakt het tot het zijne. Ook het hof acht dit klachtonderdeel dus ten dele gegrond. Aan de overwegingen van de kamer kan nog worden toegevoegd dat niet is gebleken dat klaagster de notaris heeft verzocht om kopieën van andere stukken dan het advies van de deskundige. De notaris was niet gehouden klaagster ongevraagd van alle door hem over de zaak gevoerde correspondentie een kopie te doen toekomen.
6.9. De kamer heeft het negende klachtonderdeel gegrond geoordeeld en daartoe overwogen dat de notaris in zijn brief van 6 augustus 2009 twee dingen door elkaar heeft gehaald: de verplichting van klaagster om uitvoering te geven aan het kortgedingvonnis van 30 juli 2009 en haar recht om, los daarvan, een klacht over het handelen van de notaris in te dienen bij de kamer. De kamer acht het bijzonder laakbaar dat de notaris heeft geëist dat klaagster haar klacht over [naam] per direct zou intrekken. Het verzoek is qua toonzetting ongepast. Het is echter nog ernstiger dat de notaris haar aldus tracht af te houden van haar klachtrecht op grond van de Wet op het notarisambt.
6.9.1. Het hof deelt het oordeel van de kamer en maakt het tot de zijne.
6.10. De kamer heeft het tiende klachtonderdeel onbehandeld gelaten. Het hof is niet gebleken dat de notaris het opzet heeft gehad klaagster of haar gemachtigde in een kwaad daglicht te stellen. Evenmin is gebleken dat hij de Deken opzettelijk onjuiste informatie heeft verschaft. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
6.11. Wat betreft de op te leggen maatregel overweegt het hof als volgt. De notaris heeft bij de afhandeling van de nalatenschap een aantal slordigheden begaan, die tot gegronde klachtonderdelen hebben geleid. Die slordigheden zijn op zichzelf al tuchtrechtelijk laakbaar. Het hof rekent het de notaris echter nog zwaarder aan dat hij niet alleen ten onrechte de kosten van de tuchtprocedure ten laste van de nalatenschap heeft gebracht maar bovendien op oneigenlijke gronden klaagster heeft trachten te bewegen haar klacht in te trekken. Met de kamer is het hof van oordeel dat de maatregel van waarschuwing op zijn plaats is.
6.12. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing voor zover de kamer daarbij het hiervoor onder 4.2. omschreven klachtonderdeel geheel ongegrond heeft verklaard, het hiervoor onder 4.3. omschreven klachtonderdeel gegrond heeft verklaard en het hiervoor onder 4.10. omschreven klachtonderdeel onbehandeld heeft gelaten;
- in zoverre opnieuw rechtdoende;
- verklaart het onder 4.2. omschreven klachtonderdeel gegrond voor zover dat betrekking heeft op het ten laste van de boedel brengen van de kosten van de tuchtprocedure, en voor het overige ongegrond;
- verklaart het onder 4.3. omschreven klachtonderdeel ongegrond;
- verklaart het onder 4.10 omschreven klachtonderdeel ongegrond;
- bekrachtigt de bestreden beslissing voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.C.W. Rang en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 februari 2012 door de rolraadsheer.
Kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond
Nummer: KL 13/2009
Beslissing
van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond
in de zaak van:
mevrouw [naam]
p/a mr. F.M.J.P. Heckmans,
Graverstraat 128,
6466 KZ Kerkrade-West,
hierna te noemen de klaagster;
tegen[naam]]
gevestigd te [plaats]
hierna te noemen de notaris.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beslissing van de president van het gerechtshof Amsterdam van
9 november 2009, waarbij de kamer van toezicht Roermond is belast met de
behandeling van de klacht van de klaagster in verband met het lidmaatschap
van de notaris van de kamer van toezicht [plaats]
- de brief van mr. F.M.J.P. Heckmans, gemachtigde van de klaagster, van
3 december 2009 met een aangepaste samenvatting van de klachten, zoals
neergelegd in zijn brieven van 24 juni 2009, 6 juli 2009, 12 augustus 2009,
8 en 9 september 2009, 16 oktober 2009 en 26 oktober 2009, alle met
bijlagen;
- de schriftelijke reactie van de notaris van 12 januari 2010 met bijlagen;
- de brief van de klaagster van 2 maart 2010 met bijlagen,
- de brief van de notaris van 15 juni 2010 met bijlagen.
2. De openbare behandeling
2.1. De kamer heeft de klacht op 27 januari 2011 in het openbaar behandeld. Bij die behandeling zijn de klaagster, bijgestaan door mr. F.M.J.P. Heckmans en de notaris verschenen. De kamer heeft partijen in elkaars tegenwoordigheid gehoord.
2.2. Bij zijn toelichting op de klachten heeft mr. Heckmans zich bediend van een pleitnota, waarvan hij een exemplaar aan de notaris en aan de kamer heeft overhandigd.
3. De vaststaande feiten
3.1. De kamer gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande feiten.
3.2. Op 12 september 1979 is overleden mevrouw [X] geboren te [plaats] op 11 juli 1897, weduwe van de heer [Y] (verder aangeduid als erflaatster).
3.3. Erflaatster heeft krachtens erfopvolging bij versterf tot enige erfgenamen van haar nalatenschap achter gelaten, ieder voor een/zevende gedeelte, haar zeven uit het huwelijk met de heer [Y] voornoemd geboren kinderen: [E], [C] [D] , [F], [J] [G], Van genoemde kinderen zijn overleden [F] [J], en G]. In de nalatenschap van [F] is thans gerechtigd [A] in die van [J] mevrouw [B] en in die van [G] de klaagster.
3.4. Thans zijn in de nalatenschap van erflaatster gerechtigd de klaagster voor 2/7 gedeelte en [E], [C] [D] [A] en [B], ieder voor 1/7 gedeelte.
3.5. Bij brief van 26 oktober 2006 heeft de Rabobank aan de notaris geschreven dat sedert 13 februari 2001 een saldo van € 41.603,08 is overgeboekt op een betaalrekening van de erven [naam] nummer xxxxxxx, dat de erven elk jaar een overzicht van die rekening hebben ontvangen, waarin het saldo en de uitbetaalde rente werden vermeld en dat die overzichten nimmer hebben geleid tot een gezamenlijk verzoek van de erfgenamen om dat saldo op een rentedragende rekening te zetten. De bank heeft in die brief verder meegedeeld dat haar geen verwijt treft, maar dat zij uit coulance-overwegingen bereid is een rentevergoeding van 1,5% te betalen over de periode van 13 februari 2001 tot en met 26 oktober 2006.
3.6. Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 24 oktober 2007, uitvoerbaar verklaard bij voorraad en verbeterd bij vonnis van 21 november 2007, heeft de rechtbank de nalatenschap van erflaatster verdeeld en toebedeeld. Ten aanzien van de roerende zaken en de juwelen (zoals genoemd en gewaardeerd in het taxatierapport van [naam] van 26 juni 2000) heeft de rechtbank bepaald dat deze worden verdeeld door middel van loting ten overstaan van de notaris, waarbij de in het vonnis genoemde aan iedere erfgenaam toebedeelde bedragen worden gecorrigeerd, indien en voor zover de verdeling door loting leidt tot een over- dan wel onderbedeling. De rechtbank heeft klaagster veroordeeld tot betaling van 2/7 deel van de notariële kosten ter zake van het opstellen van de akte van verdeling en levering, door de notaris in te houden bij het opmaken van de afrekening.
3.7. Op 11 juli 2008 heeft de in voormeld vonnis vermelde loting plaatsgevonden ten overstaan van mr. [naam] als waarnemer van de notaris. Van deze loting heeft de instrumenterend notaris een akte opgemaakt. Door middel van die loting is aan klaagster onder meer een antieke staande klok uit de achttiende eeuw toebedeeld.
3.8. Bij brief van 15 juni 2009 heeft de notaris aan de klaagster twee declaraties toegezonden, gedateerd 29 januari 2009 en 15 juni 2009, betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van de erflaatster. Bij brief van 29 juni 2009 heeft de klaagster de notaris verzocht om een deugdelijke gedetailleerde specificatie van die declaraties.
3.9. Bij kort-gedingvonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Maastricht van 30 juli 2009, gewezen tussen [[A] en [B] als eiseressen in conventie/gedaagden in reconventie en klaagster en [naam] B.V. als gedaagden in conventie/eiseressen in reconventie, is [naam] veroordeeld om uiterlijk 10 dagen na betekening van dat vonnis het totaalbedrag van de gelden van de erfgenamen van erflaatster, inclusief de opgelopen rente, die onder [naam] B.V. berusten, vrij te geven en op eerste verzoek van de notaris of diens plaatsvervanger of eiseressen in conventie, zo tezamen als ieder afzonderlijk, over te boeken naar een door de notaris opgegeven bankrekening. Klaagster is bij dat vonnis veroordeeld tot het gedogen dat de betaling van [naam] B.V. van de onder haar berustende gelden van de erfgenamen aan de notaris plaatsvindt alsmede tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 met een maximum van € 30.000,00 aan eiseressen in conventie voor elke dag of een deel daarvan dat klaagster aan haar hoofdveroordeling niet voldoet.
3.10. Bij brief van 6 augustus 2009 aan klaagster en haar gemachtigde heeft de notaris onder meer geschreven: “Inmiddels loopt nog steeds uw klachtprocedure tegen mij bij de Kamer van Toezicht met betrekking tot mijn – door u bestreden – handelen in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap, meer in het bijzonder met betrekking tot gemelde volmacht en het door mij opvragen van de voorgeschreven gelden bij [naam]. De beslissing in voormeld kort geding (het kort gedingvonnis van 30 juli 2009, toevoeging kamer) behelst echter ook een veroordeling van mevrouw [naam]ot het gedogen dat de voorgeschreven betaling van [naam] aan mij plaatsvindt, waarbij er in dat kader eveneens een veroordeling is van haar tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 met een maximum van € 30.000,00 voor elke dag of deel daarvan, dat zij hieraan niet voldoet. Met betrekking tot die veroordeling, verzoek ik u per omgaande uw verzet tegen de gemelde uitbetaling door [naam] aan mij, middels de bedoelde klacht, te staken doordat u die klacht per direct intrekt. Van die intrekking dien ik onverwijld een schriftelijke bevestiging te ontvangen zijdens de kamer van toezicht.”
3.11. Op 8 september 2009 heeft de notaris aan de klaagster een ontwerp afrekening inzake het saldotegoed van de nalatenschap van erflaatster toegezonden.
3.12. Op 11 september 2009 heeft de notaris een akte van verdeling verleden, waarin de door de rechtbank Maastricht bij voormeld vonnis van 24 oktober 2007, verbeterd bij vonnis van die rechtbank van 21 november 2007, bepaalde verdeling van de nalatenschap van erflaatster is geconcretiseerd.
4. De beoordeling van de klachten
De kamer zal hierna de klachten afzonderlijk bespreken. Daarbij zal zij telkens onder a. de inhoud van de klacht weergeven, onder b. het verweer van de notaris en onder c. het oordeel van de kamer.
4.1. De notaris heeft zijn verplichting tot onpartijdige en zorgvuldige
behartiging van alle betrokken belangen geschonden
4.1.1. a.
Bij brief van 10 september 2009, die de notaris aan de klaagster heeft gezonden, was een specificatie van de werkzaamheden van de notaris gevoegd. Uit deze specificatie blijkt dat de notaris jarenlang in strijd heeft gehandeld met de wettelijke verplichting zijn ambt in onafhankelijkheid uit te oefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te behartigen. De notaris heeft in de periodes waarin hij zich volgens de regels had moeten terugtrekken en met een afzonderlijke partij geen contact mocht hebben, anders dan voor het geven van de noodzakelijke inlichtingen, veelvuldig contact onderhouden met de overige erven en hen en hun advocaten met raad en daad bijgestaan in hun strijd tegen de klaagster en de belangen van klaagster ernstig geschonden.
4.1.2. b.
Tussen de rechthebbenden van de nalatenschap van erflaatster is sinds het openvallen daarvan in 1979 een zeer ernstige controverse geweest tussen enerzijds klaagster (aanvankelijk met een inmiddels overleden zus) en anderzijds de gezamenlijke overige erfgenamen. De notaris, kennis hebbend van de opstelling van klaagster jegens iedereen die niet haar standpunt/zijde kiest, heeft steeds met de allergrootste omzichtigheid geacteerd in het kader van de verwikkelingen betreffende de nalatenschap. De notaris heeft de klaagster c.q. haar gemachtigde regelmatig en eenduidig geïnformeerd in het kader van de relevanties van de afwikkeling van de nalatenschap. De notaris heeft steeds juist en correct gehandeld. Het verwijt van klaagster aan de notaris dat zij in de afwikkeling van de nalatenschap door de notaris is benadeeld en dat de notaris haar belangen heeft geschonden, is niet terecht. De afwikkeling van de nalatenschap is gerealiseerd als gevolg van de rechterlijke uitspraken van 24 oktober 2007 en 30 juli 2009. Nadat de situatie tussen de erven escaleerde, heeft de notaris zich regelmatig in deze aangelegenheid extern laten adviseren.
4.1.3. c.
De kamer is van oordeel dat de stellingen van de klaagster in het licht van de betwisting door de notaris onvoldoende concreet zijn om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de notaris partijdig is geweest. In ieder geval kan uit de (gestelde hoeveelheid) contacten van de notaris met de overige erfgenamen niet zonder meer geconcludeerd worden tot partijdigheid van de notaris. Het had op de weg van de klaagster gelegen om haar stellingen nader te concretiseren nadat de notaris deze voldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit laatste heeft de klaagster achterwege gelaten. De kamer acht deze klacht dan ook ongegrond.
4.2. Ten onrechte heeft de notaris 2/7 deel van alle kosten op het erfdeel van klaagster ingehouden
4.2.1. a.
De notaris heeft 2/7e deel van alle kosten op het erfdeel van de klaagster ingehouden, terwijl de notaris volgens het vonnis van de rechtbank Maastricht van 24 oktober 2007 alleen maar 2/7 van de notariële kosten ter zake van het opstellen van de akte van verdeling en levering mocht inhouden. De klaagster heeft uitdrukkelijk toestemming om bedragen op haar erfdeel in te houden, aan de notaris onthouden. De door de notaris ingehouden kosten hebben voornamelijk betrekking op de bijstand die hij in strijd met de regels aan de overige erven heeft gegeven bij hun juridische strijd tegen de klaagster en op andere kosten die niet het opstellen van de akte betreffen.
4.2.2. b.
De kwestie van het honorarium beziet klaagster vanuit haar visie, die niet die van de notaris is. Ook hierin heeft de notaris zich door gekwalificeerde deskundigen laten adviseren. Als ringvoorzitter te Maastricht heeft de notaris talloze declaratiegeschillen beslecht, veelal ter zake van boedelafwikkelingen, waardoor hij inzicht heeft in de problemen die daarbij aan de orde kunnen komen.
4.2.3. c.
De klaagster neemt het standpunt in dat zij slechts voor 2/7e deel hoeft bij te dragen in de notariële kosten voor het opstellen van de akte van verdeling en levering, zoals de rechtbank Maastricht in haar vonnis van 24 oktober 2007 heeft bepaald en niet in alle notariële kosten. Naar het oordeel van de kamer geeft de klaagster een onjuiste uitleg aan dat vonnis. Het vonnis dwingt niet tot de enge, beperkte uitleg die de klaagster bepleit. De verdeling van de nalatenschap van de erflaatster heeft meer notariële kosten met zich gebracht dan alleen het opstellen van voornoemde akte.
De nalatenschap van erflaatster is (juridisch) een gemeenschap, immers de door de erflaatster achtergelaten goederen behoren toe aan meer deelgenoten gezamenlijk, te weten de gerechtigden tot die nalatenschap die hiervoor zijn genoemd. De werkzaamheden van de notaris merkt de kamer aan als werkzaamheden die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. In dat geval moeten de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen bijdragen in de kosten die met de notariële werkzaamheden zijn gemoeid, tenzij een regeling anders bepaalt (artikel 3:172 Burgerlijk Wetboek). Het bestaan van een andersluidende regeling is gesteld noch gebleken. Verder heeft de klaagster niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat er ten gunste van haar op andere gronden afgeweken zou moeten worden van de onderlinge draagplicht naar evenredigheid. De kamer acht deze klacht niet gegrond.
4.3. De notaris heeft geweigerd tijdig specificatie van zijn declaraties te verstrekken
4.3.1. a.
De notaris heeft maandenlang een specificatie van zijn declaraties achtergehouden. Pas nadat in deze kwestie bij brief van 9 september 2009 de interventie van de voorzitter van de kamer van toezicht Maastricht was verzocht, ontving de klaagster op 10 september 2009 een specificatie. Omdat de handgeschreven specificatie betrekking had op de declaratie van 29 januari 2009 kan de conclusie geen andere zijn dan dat die specificatie al op 29 januari 2009 gereed was. De andere specificatie was een computeruitdraai uit het declaratieprogramma van de notaris, die met een druk op de knop te vervaardigen is. Niet valt in te zien waarom de notaris de specificaties niet aan de klaagster heeft toegezonden toen daarom op 29 juni 2009 werd gevraagd.
4.3.2. b.
De notaris heeft ter gelegenheid van de uiteindelijke afwikkeling van de nalatenschap een specificatie van zijn honorarium gegeven. Sinds op het kantoor van de notaris een geautomatiseerd tijdschrijfsysteem is ingevoerd, zijn de sindsdien bestede uren daarin verwerkt. Wat betreft de lange daaraan voorafgaande periode zijn de bestede uren herleid moeten worden aan de hand van de zich in de betreffende dossiers bevindende stukken. De productie van die specificatie was zeer tijdrovend en is daarom eerst in het afrondende stadium van de boedelafwikkeling gereed gekomen. Er is geen sprake van achterhouden, maar van toen nog niet voorhanden hebben.
4.3.3. c.
De notaris heeft niet betwist dat de klaagster hem bij brief van 29 juni 2009 heeft verzocht om een deugdelijke, gedetailleerde specificatie van zijn declaraties van
29 januari 2009 en 15 juni 2009 betreffende de nalatenschap van de erflaatster en evenmin heeft de notaris betwist dat de klaagster de verzochte specificatie pas op
10 september 2009 en na interventie door de voorzitter van de kamer van toezicht Maastricht heeft ontvangen.
Artikel 55, eerste lid, van de Wet op het notarisambt bepaalt dat een notaris verplicht is om op verzoek van de cliënt een rekening van zijn honorarium voor ambtelijke werkzaamheden en de overige aan de zaak verbonden kosten op te maken, waaruit duidelijk blijkt op welke wijze het in rekening gebrachte bedrag is berekend. Nu dit artikellid geen termijn bepaalt waarbinnen de notaris een gespecificeerde rekening moet opmaken, moet uitgegaan worden van een in de gegeven omstandigheden redelijke termijn.
Volgens de notaris moest de declaratie van 29 januari 2009 herleid worden uit de dossiers. De kamer gaat hiervan uit en moet dan concluderen dat die declaratie alleen maar opgemaakt kan worden als de aan de werkzaamheden van de notaris bestede uren op 29 januari 2009 bekend zijn geweest. Anders zou de notaris immers geen declaratie hebben kunnen opstellen en aan klaagster kunnen versturen. Dat kan alleen dan anders zijn indien de afspraak was gemaakt dat de notaris een voorschot mocht declareren, maar dat is gesteld noch gebleken. Verder heeft de notaris niet betwist dat de declaratie van 15 juni 2009 door de zogenaamde druk op de knop uit zijn geautomatiseerd declaratiesysteem te reproduceren was. De kamer komt dan ook tot de conclusie dat de notaris met het verstrekken van de declaratie niet had mogen wachten tot de uiteindelijke afwikkeling van de nalatenschap. Hij had de verzochte specificatie binnen een redelijke termijn nadat daarom was verzocht, aan de klaagster moeten verstrekken, te meer nu er in dit geval sprake was van een zogenaamde ruzieboedel. Onder de gegeven omstandigheden acht de kamer acht de termijn tussen het verzoek om en de verstrekking van de specificaties van ongeveer 2 ½ maand geen redelijke termijn. De kamer oordeelt deze klacht gegrond.
4.4. De notaris heeft de gelden die hij vóór 1 januari 2007 heeft ontvangen niet gespecificeerd
4.4.1. a.
Blijkens de afrekening inzake het saldotegoed van de nalatenschap van erflaatster heeft de notaris tot 1 januari 2007 in totaal een bedrag van € 2.456,01 voor de boedel geïncasseerd. De notaris heeft desgevraagd dit bedrag niet gespecificeerd, waardoor de klaagster niet kan nagaan welke betalingen dit bedrag betreft en van wie deze afkomstig zijn.
4.4.2. b.
De notaris heeft geen enkele volmacht gehad om te beschikken over de bancaire saldi van de boedel. Ter gelegenheid van de “slotafwikkeling” (de akte van 11 september 2009) hebben alle erven een specificatie gehad van de gelden die zich toen onder de notaris bevonden.
4.4.3. c.
Onbetwist is - en daarmee staat in deze procedure vast - dat de notaris vóór 1 januari 2007 gelden heeft ontvangen van derden, die mede aan de klaagster ten goede kwamen. Dergelijke gelden moet de notaris kunnen specificeren (mede) aan de hand van een daarop ingerichte administratie. De notaris had de gevraagde specificatie aan de klaagster moeten verstrekken. De kamer volgt de notaris niet in zijn verweer dat hij ter gelegenheid van de slotafwikkeling aan de erfgenamen een specificatie heeft verstrekt van de gelden die zich toen onder hem bevonden. Allereerst merkt de kamer op dat de klaagster niet heeft verzocht om een specificatie van de gelden die zich onder de notaris bevonden, maar om de specificatie van een bedrag van € 2.456,01, waarvan haar de afkomst onduidelijk was. Met de verstrekte specificatie doelt de notaris kennelijk op de afrekening van de ontvangsten en uitgaven. Deze afrekening vermeldt onder meer: “1. saldo per 1 januari 2007 (ter zake van de administratie ten kantore van notaris mr.[naam] en zijn beide ambtsvoorgangers)
€ 2.456,01”. De kamer constateert dat in die afrekening geen sprake is van een specificatie van het bedrag van € 2.456,01. De kamer acht deze klacht gegrond.
4.5. De notaris heeft geweigerd zijn oude uurtarieven te noemen
4.5.1. a.
De notaris heeft ondanks meerdere verzoeken zijn oude uurtarieven, waarvan hij bij het opstellen van de declaratie van 29 januari 2009 is uitgegaan, niet aan klaagster opgegeven.
4.5.2. b.
De notaris verwijst naar zijn brieven van 15 en 30 oktober en 11 november 2009, waarop hij geen antwoord heeft ontvangen.
4.5.3. c.
In zijn brief van 15 oktober 2009 aan de raadsman van de klaagster verzoekt de notaris de raadsman - voor zover voor de onderhavige klacht van belang - eerst schriftelijk kenbaar te maken in hoeverre hij (nog) bevoegd is in de kwestie van de afwikkeling van de nalatenschap van de erflaatster, nu de raadsman niet langer de status van advocaat bezit. In zijn brief van 15 oktober 2009 deelt de notaris aan de raadsman mee dat hij op zijn brief van 15 oktober 2009 nog geen reactie mocht ontvangen en dat hij zonder bevredigend antwoord de gevraagde informatie niet kan verstrekken. In zijn brief van 11 november 2009 memoreert de notaris dat hij op zijn brieven van 15 en 30 oktober 2009 niets van de raadsman mocht vernemen en dat hij daarom het dossier betreffende de nalatenschap van de erflaatster heeft afgesloten en gearchiveerd.
Normaal gesproken acht de kamer het verzoek van de notaris om een schriftelijke volmacht onnodig formeel. Gezien echter het langdurige spanningsveld tussen de klaagster, de overige erfgenamen en de notaris is de kamer van oordeel dat het niet onredelijk was om naar een dergelijke volmacht te vragen. De kamer acht de onderhavige klacht dan ook ongegrond.
4.6. De notaris heeft een onderdeel van een aan de klaagster toebedeelde ntieke klok niet aan haar afgegeven
4.6.1. a.
De dag na de loting heeft de notaris meegedeeld dat een onderdeel (onderstuk) van de klok die klaagster door de verdeling in eigendom had gekregen, op het notariskantoor was achtergebleven en dat zij dit kon komen ophalen. De raadsman van klaagster heeft meteen de notaris geschreven dat hij het onderdeel zou ophalen. De notaris heeft dit aan de overige erfgenamen voorgelegd, terwijl hun mening – gezien de eigendom van klaagster – niet relevant was en heeft vervolgens het onderdeel aan de overige erven, die geen rechthebbenden waren, afgegeven en niet aan klaagster.
4.6.2. b.
Na afloop van de loting hebben alle deelgenoten de verlote zaken meegenomen. Er is daarna niets meer achtergebleven. Klaagster heeft bij het meenemen van de klok niet gereclameerd.
4.6.3. c.
Met betrekking tot het onderdeel van de klok wisselt de notaris nogal eens van standpunt. Allereerst is er de brief van 11 juli 2008 van de notaris aan de raadsman van de klaagster. Daarin schrijft de notaris dat de klaagster een gedeelte van de klok op zijn kantoor heeft achtergelaten en dat zij dit gedeelte die dag kan komen afhalen. Bij brief van gelijke datum laat de raadsman van klaagster aan de notaris weten dat de raadsman het onderdeel van de klok zal komen afhalen omdat de klaagster met vakantie is. Hierop reageert de notaris weer door aan de raadsman bij brief van 11 juli 2008 (14 juli 2008 volgens de raadsman van de klaagster) te schrijven dat hij de opmerkingen inzake de klok heeft doorgeleid naar de andere erven, dat zodra hij van deze bericht heeft ontvangen hij de raadsman daarvan op de hoogte zal brengen en dat afhalen daarom vooralsnog niet aan de orde is. Dan is er onder de processtukken de schriftelijke informatie van gerechtsdeurwaarder [naam] te [plaats] die verklaart dat hij na de loting op het kantoor van de notaris is geweest om het onderdeel van de klok op te halen, maar dat hij daar toen te horen heeft gekregen dat het betreffende onderdeel niet meer op kantoor aanwezig was. Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de notaris dat hem achteraf is gebleken dat het onderdeel van de klok toch op zijn kantoor is achtergebleven en dat klaagster dit kan komen ophalen.
De kamer is allereerst van oordeel dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat de notaris het onderdeel van de klok, dat in eigendom aan klaagster toebehoorde, aan de andere erven heeft afgegeven. Voor het overige is de kamer van oordeel dat de notaris met betrekking tot het onderdeel van de klok onzorgvuldig heeft gehandeld. De notaris had zich er beter van moeten vergewissen of het onderdeel van de klok op zijn kantoor aanwezig was. Gesteld noch gebleken is dat de notaris dit heeft gedaan. Zelfs het bezoek van een gerechtsdeurwaarder was kennelijk onvoldoende aanleiding om een deugdelijk onderzoek naar de aanwezigheid van het onderdeel op zijn kantoor in te stellen. De wisselende informatie over de aanwezigheid aan de klaagster, haar raadsman en de gerechtsdeurwaarder was beneden de maat. De klaagster was eigenaresse geworden van de klok. In verband met vakantie van de klaagster schrijft haar raadsman aan de notaris dat hij het onderdeel van de klok komt ophalen. Het ontgaat de kamer waarom de notaris vervolgens de raadsman van de klaagster terugschrijft dat hij die mededeling doorgeleidt naar de andere erven, dat hij de raadsman op de hoogte zal stellen van de reactie van de andere erven zodra hij van deze heeft en dat afhalen daarom vooralsnog niet aan de orde is. De kamer is van oordeel dat de notaris slordig is omgespringen met de belangen van de klaagster en zij acht de onderhavige klacht dan ook gegrond.
4.7. De notaris heeft klaagster jarenlang informatie onthouden over een
niet-rentedragend saldo op een betaalrekening bij de Rabobank, heeft
geweigerd mee te werken aan het rentedragend maken van dat saldo en
klaagster informatie onthouden over het voorstel van de Rabobank om
alsnog rente te vergoeden
4.7.1. a.
Uit een van de notaris ontvangen financieel jaaroverzicht over 2005 betreffende de boedelrekening die bij de Rabobank werd aangehouden, bleek dat bij die bank een bedrag van € 41.603,08 op een niet-rentedragende rekening stond. De notaris heeft klaagster jarenlang informatie onthouden over het niet meer rentedragend zijn van het saldo bij de Rabobank. Bij brief van 3 maart 2006 is de notaris verzocht om dat bedrag over te boeken naar een rentedragende rekening. De notaris heeft op dit verzoek niet gereageerd en daarom is dit verzoek op 23 maart 2006 schriftelijk herhaald. Op 31 mei 2006 zond de notaris aan klaagster een volmacht ter ondertekening waarbij hij onder meer werd gemachtigd om alle effecten en financiële waarden van de nalatenschap te (her)beleggen en te beheren. Klaagster vond die volmacht te vergaand en heeft de notaris verzocht een specifieke volmacht op te stellen met betrekking tot het saldo bij de Rabobank. De notaris heeft ondanks meerdere verzoeken van klaagster, laatstelijk van 14 juli 2006, geweigerd een specifieke volmacht op te stellen en te aanvaarden om dat saldo rentedragend te maken. De notaris heeft zonder klaagster daarover te informeren in 2006 gecorrespondeerd met de Rabobank over het niet-rentedragend saldo. De notaris weigert een kopie van deze correspondentie aan klaagster te verstrekken. De notaris heeft klaagster informatie onthouden als vermeld in de brief van de Rabobank van 26 oktober 2006. De notaris was sinds 2001/2002 op de hoogte van het feit dat het saldo niet meer rentedragend was, maar heeft niets gedaan met de informatie die hij jaarlijks van de Rabobank ontving.
4.7.2. b.
De notaris verwijst naar zijn brief aan de Rabobank van 28 maart 2008, waarin hij de Rabobank verzoekt spoedig de saldi (en mogelijke andere tegoeden ten name van erflaatster bij de bank) op te heffen en met lopende rente te storten op de rekening van het notariskantoor bij de Rabobank nummer [nummer].
4.7.3. c.
Vast staat dat de boedelrekening bij de Rabobank werd gehouden. Uit de processtukken blijkt dat de Rabobank het financieel jaaroverzicht 2005 aan de erfgenamen van de erflaatster heeft gezonden, per adres postbus [nummer] Dit is het postbusadres van de notaris. Dat jaaroverzicht vermeldt als saldo op de betaalrekening zowel per 1 januari als per 31 december 2005 een bedrag van € 41.603,08 en als ontvangen rente in 2005 € 0,00. Het is een feit van algemene bekendheid dat banken aan het begin van ieder kalenderjaar aan hun klanten een financieel overzicht van het voorafgaande jaar verstrekken. De klaagster heeft gesteld dat de notaris sinds 2001/2002 op de hoogte was van het feit dat het boedelbedrag niet meer rentedragend was en dat hij niets heeft gedaan met de informatie die hij jaarlijks van de Rabobank ontving. Deze stelling is door de notaris niet weersproken. Uit een brief van de Rabobank aan de notaris van 26 oktober 2006 blijkt dat genoemd bedrag sinds 13 februari 2001 op die betaalrekening staat als gevolg van de vrijboeking van de vaste termijnrekening. Een en ander betekent dat het de notaris al jaren bekend moet zijn geweest dat het boedelbedrag op de betaalrekening geen rente meer genereerde. Ook heeft de notaris de stelling van de klaagster niet betwist dat hij haar jarenlang informatie heeft onthouden over het niet meer rentedragend zijn van het saldo bij de Rabobank en over de brief van 26 oktober 2006 van de Rabobank aan de notaris betreffende een rentevergoeding over het boedelbedrag. In deze procedure staat dan ook vast dat de notaris genoemde informatie aan de klaagster heeft onthouden en heeft nagelaten genoemd bedrag op een rentedragende rekening te zetten. Door zich aldus te gedragen, heeft de notaris de belangen van de klaagster (en die van de overige erfgenamen) niet goed behartigd. Voorts had de notaris de wens van de klaagster niet mogen passeren dat zij geen algemene volmacht aan de notaris wenste af te geven om alle effecten en financiële waarden van de nalatenschap te (her)beleggen en te beheren, maar slechts een specifieke volmacht met betrekking tot het boedelbedrag bij de Rabobank. De kamer is van oordeel dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld en dat onderhavige klacht daarom doel treft.
4.8. De notaris weigert aan klaagster de naam door te geven van een door hem voor advies ingeschakelde hoogleraar, een kopie van diens advies en kopieën van andere correspondentie met derden te verstrekken
4.8.1. a.
De notaris heeft buiten medeweten en opdracht van klaagster maar wel mede op haar kosten haar zaak voorgelegd aan een hoogleraar en vervolgens diens advies gebruikt tegen klaagster. De notaris weigert de naam van de hoogleraar te noemen en het advies ter beschikking te stellen van klaagster. De notaris heeft zijn ambtsgeheim geschonden door een derde zonder toestemming van klaagster volledig van haar zaak op de hoogte te brengen. De notaris weigert ook de correspondentie die hij over de zaak van de klaagster met anderen heeft gevoerd, aan haar ter beschikking te stellen.
4.8.2. b.
De notaris had en heeft gegronde reden om aan te nemen dat klaagster, haar gemachtigde en/of de zoon van klaagster de adviserende hoogleraar ter verantwoording roepen of anderszins lastig vallen als zij diens personalia te weten komen. Daarom acht(te) de notaris het niet opportuun om die personalia bekend te maken. De notaris heeft de hoogleraar geconsulteerd om hem duidelijkheid te verschaffen ter zake van zijn positie en verdere wijze van handelen in het kader van de uitwerking van het vonnis van de rechtbank Maastricht van 24 oktober 2007 teneinde tot een algehele afwikkeling van de nalatenschap te geraken. De geraadpleegde hoogleraar heeft inzage gehad in genoemd vonnis. De notaris heeft de hoogleraar correcte informatie verstrekt ten behoeve van het te geven advies en het advies van de hoogleraar juist en zonder enig voorbehoud weergegeven.
4.8.3. c.
De kamer is van oordeel dat wanneer een notaris uit eigen beweging een adviseur inschakelt, zoals de notaris in dit geval heeft gedaan, de kosten van die adviseur voor rekening van de notaris komen. Advieskosten kan de notaris echter ten laste van de erfgenamen brengen, indien de erfgenamen hun toestemming hebben gegeven voor het inwinnen van een advies.
De weigering van de notaris om de naam van de adviserend hoogleraar te verstrekken aan de klaagster omdat de notaris beducht is dat de klaagster, haar raadsman en/of haar zoon de hoogleraar ter verantwoording zullen roepen of anderszins lastig zullen vallen, acht de kamer geen valide argument, te meer niet nu gesteld noch gebleken is dat er ook maar enige aanwijzing is die er toe zou kunnen leiden dat de klaagster c.s. zouden handelen, zoals de notaris vreest.
De kamer is van oordeel dat de notaris een afschrift van het deskundigenrapport, in een geval als dit waarin de verdeling van de erfenis problematisch verliep en zeker nadat daarom door de klaagster was verzocht, aan de klaagster had moeten verstrekken. Alleen dan zou klaagster immers in staat zijn geweest om het advies van de hoogleraar te toetsen aan het handelen van de notaris en/of om te beoordelen of de inschakeling van een eigen adviseur geboden zou zijn geweest. In zoverre acht de kamer deze klacht gegrond.
De notaris heeft – onweersproken – gesteld dat hij de hoogleraar heeft geconsulteerd om duidelijkheid te verkrijgen over zijn positie als notaris en verdere wijze van handelen in het kader van de uitwerking van het vonnis van de rechtbank Maastricht van 24 oktober 2007, waarin de rechtbank de nalatenschap van de erflaatster heeft verdeeld. De notaris heeft de hoogleraar inzage gegeven in dat vonnis, over de inhoud waarvan de notaris advies wenste. De kamer begrijpt uit het verweer van de notaris dat hij geen andere bescheiden aan de hoogleraar ter beschikking heeft gesteld. Het betreft hier een in het openbaar uitgesproken rechterlijk vonnis, waarvan een ieder die dat verlangt - al dan niet geanonimiseerd - een afschrift kan verkrijgen. Alleen wanneer de verstrekking van een afschrift inbreuk maakt op de zwaarwegende belangen van anderen, moet een geanonimiseerd afschrift worden verstrekt. Laatstgenoemde belangen zijn gesteld noch gebleken. De kamer is van oordeel dat de notaris onder voormelde omstandigheden zijn geheimhoudingsplicht niet heeft geschonden door de hoogleraar inzage te geven in voormeld vonnis. Niet is komen vast te staan – en dat ligt ook niet voor de hand omdat de notaris alleen advies heeft gevraagd over de inhoud van het vonnis - dat de notaris de hoogleraar volledig van de zaak van de klaagster op de hoogte heeft gebracht. De kamer is van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.
4.9. De notaris probeert klaagster met oneigenlijke middelen te dwingen klachten bij de kamer van toezicht in te trekken
4.9.1. a.
In zijn brief van 6 augustus 2009 zet de notaris klaagster en haar gemachtigde onder dreiging van het verbeuren van dwangsommen onder druk de reeds aanhangige klachtonderdelen in te trekken. De aanhangige klachtonderdelen hadden echter geen betrekking op de betaling door [naam]. De notaris probeert op een onoorbare wijze van een tegen hem gerichte klacht af te komen door te dreigen met het verbeuren van dwangsommen die daarop helemaal niet zien.
4.9.2. b.
Niet de notaris maar de voorzieningenrechter heeft aan de klaagster dwangsommen opgelegd in zijn kort gedingvonnis van 30 juli 2009. Daaraan stipuleren kan toch moeilijk als klachtwaardig worden beschouwd in het licht van de gebeurtenissen.
4.9.3. c.
Met deze klacht doelt de klaagster op de brief van de notaris aan de klaagster en haar gemachtigde van 6 augustus 2009, waarvan de kamer de gewraakte inhoud hiervoor onder de vaststaande feiten heeft weergegeven.
In de gewraakte inhoud haalt de notaris twee zaken door elkaar, waarin de kamer de notaris niet goed kan volgen. Door een koppeling te maken tussen de klacht en de dwangsommen waartoe de klaagster bij kort gedingvonnis van 30 juli 2009 is veroordeeld, gebruikt de notaris een oneigenlijk middel om van de klacht af te komen. Maar wat hier verder ook van zij, bijzonder laakbaar acht de kamer het verzoek van de notaris aan de (raadsman van) de klaagster om de klacht met betrekking tot [naam] per direct in te trekken en van de (raadsman van) de klaagster te eisen dat hij van die intrekking onverwijld een schriftelijke bevestiging ontvangt van de kamer van toezicht. Qua toonzetting is het verzoek ongepast. Maar ernstiger - en voor een notaris onbetamelijk - acht de kamer het feit dat de notaris de klaagster tracht af te houden van haar klaagrecht, dat haar bij de Wet op het notarisambt is toegekend. De kamer acht deze klacht gegrond.
4.10. De op te leggen tuchtmaatregel
De kamer is van oordeel dat de notaris ter zake van de gegrond geachte klachten een waarschuwing moet worden opgelegd. Bij de bepaling van deze tuchtmaatregel heeft de kamer als verzachtende omstandigheden laten meewegen dat de notaris geconfronteerd is geweest met een zeer langdurige afwikkeling van de nalatenschap, die hoog oplopende emoties heeft gekend en die slechts gerealiseerd is kunnen worden door tussenkomst – tot tweemaal toe - van de burgerlijke rechter.
5. De beslissing
De kamer:
5.1. verklaart de klachten onder 3, 4, 6, 7, 8 (gedeeltelijk) en 9 gegrond;
5.2. verklaart de klachten 1, 2, 5 en 8 (gedeeltelijk) ongegrond;
5.3. legt de notaris de tuchtmaatregel van waarschuwing op.
Deze beslissing is gegeven door mrs. P.W.E.C. Pulles, voorzitter, M.P.F. van Dooren,
J.J.G.M. Kuijpers, I.M.W. Boerhof en H.J.M.E. Mathijsen, bijgestaan door L.G.H. Cox, secretaris, en op 17 maart 2011 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter in tegenwoordigheid van de secretaris.
De secretaris, De voorzitter,
mr. L.G.H. Cox mr. P.W.E.C. Pulles