ECLI:NL:GHAMS:2012:4448
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen inzake uithuisplaatsing en hoofdverblijfplaats minderjarige
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen twee beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam betreffende de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind. De eerste beschikking betrof het afwijzen van een machtiging tot uithuisplaatsing bij een netwerkpleegouder, de tweede de handhaving van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de vader.
Tijdens de zitting heeft het hof vastgesteld dat de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep. De moeder betwistte de plaatsing bij de vader, met name op basis van een spoedmachtiging zonder voorafgaand onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Zij verzocht om plaatsing bij een tante, conform het oorspronkelijke verzoek van BJAA.
Echter is de beschikking van 13 maart 2012 achterhaald door een latere beschikking van 21 maart 2012, waarin de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader in Engeland is vastgesteld. BJAA heeft verklaard dat zij een machtiging tot uithuisplaatsing bij de tante niet zal uitvoeren, waardoor het belang van de moeder bij haar verzoek is komen te vervallen.
Het hof oordeelt dat de vraag over de wenselijkheid van verblijf bij de vader in Engeland niet in deze procedure kan worden beantwoord en dat dit onderwerp aan de orde dient te komen in een eventueel hoger beroep tegen de beschikking van 21 maart 2012. Het hoger beroep wordt daarom in beide zaken verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de moeder wordt verworpen wegens het ontbreken van belang bij het verzoek tot wijziging van de uithuisplaatsing.