Uitspraak
Het geding in hoger beroep
De stukken van het geding
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
De beslissing
Gerechtshof Amsterdam
Op 1 augustus 2011 diende klager een klacht in tegen een oud-notaris bij de kamer toezicht notarissen. De plaatsvervangend voorzitter van deze kamer wees de klacht op 19 augustus 2011 af als kennelijk niet-ontvankelijk. Klager stelde hiertegen tijdig verzet in bij de kamer, dat op 17 november 2011 ongegrond werd verklaard.
Klager stelde vervolgens hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de beslissing van 17 november 2011, maar gaf later aan dat het hoger beroep eigenlijk gericht was tegen de beslissing van 19 augustus 2011. Het hof behandelde de ontvankelijkheid van het hoger beroep op 10 mei 2012, waarbij klager en de oud-notaris niet verschenen.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 99 lid 6 van Pro de Wet op het notarisambt tegen een beslissing van de voorzitter van de kamer alleen schriftelijk verzet openstaat en geen ander rechtsmiddel, zoals hoger beroep. Omdat klager verzet had ingesteld, maar geen ander rechtsmiddel openstond, werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De kamer toezicht had het verzet ongegrond verklaard omdat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk was wegens overschrijding van de termijn van drie jaar na kennisname van het handelen van de notaris. Het hof bevestigde dat oordeel en verklaarde klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een rechtsmiddel naast het verzet.