Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2001 gehuwd en hebben in 2007 hun huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap dat in augustus 2007 is ontbonden. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. Partijen oefenden gezamenlijk het gezag uit en hadden een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen de helft van de tijd bij elk van hen verbleven.
In april 2011 is de co-ouderschapsregeling beëindigd en verblijven de kinderen bij de vrouw en haar nieuwe partner. De vrouw verzocht de rechtbank om een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, welke werd toegewezen. De man kwam in hoger beroep en betwistte onder meer de draagkrachtberekening en de ingangsdatum van de alimentatieverplichting.
Het hof oordeelt dat de ingangsdatum van 10 april 2011 juist is vastgesteld en dat de man zijn lagere salaris als gevolg van een vrijwillige demotie niet kan aanvoeren om zijn draagkracht te verlagen. De man had redelijkerwijs zijn oude inkomen kunnen behouden. Ook wordt zijn onderhoudsverplichting jegens zijn stiefkinderen in de draagkrachtberekening niet meegenomen omdat hij deze niet voldoende heeft onderbouwd.
Het hof bekrachtigt de bijdrage van €330 per kind per maand en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bijdrage van €330 per kind per maand vanaf 10 april 2011 en compenseert de proceskosten.