Uitspraak
mr. G. de Gelderte Woudenberg,
mr. A. Rijkelijkhuizente Amstelveen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Defam Financieringen B.V. vordert betaling van een openstaand saldo onder een kredietovereenkomst die zij op 21 juni 2000 met [K] en naar eigen zeggen ook met diens echtgenote, [geïntimeerde], heeft gesloten. De rechtbank stelde vast dat [geïntimeerde] de overeenkomst niet had ondertekend en wees de vordering tegen haar af. Defam ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
Het hof bevestigt dat [geïntimeerde] de handtekening op de kredietovereenkomst niet heeft gezet en dat Defam onvoldoende bewijs heeft geleverd om het tegendeel te bewijzen. De verklaring van [K] dat hij soms voor haar tekende, werd als betrouwbaar beoordeeld. Defam kon ook geen schriftdeskundige inzet afdwingen.
Daarnaast oordeelt het hof dat de vordering op grond van artikel 1:102 BW Pro (oud) wegens verjaring niet ontvankelijk is, omdat deze grondslag pas in hoger beroep is aangevoerd en de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken. Ook de aanvullende gronden van ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling faalden. Het hof verklaart Defam niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het tussenvonnis en bekrachtigt het eindvonnis, waarbij Defam in de proceskosten wordt veroordeeld.
Uitkomst: De vordering van Defam tegen de echtgenote wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van ondertekening en verjaring van de aansprakelijkheid op grond van gemeenschap van goederen.