Uitspraak
mr. H.F.G. de Witte Almere,
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De geïntimeerde, een buitenlandse rechtspersoon gevestigd in de Verenigde Staten, is niet verschenen bij het hof.
Er waren betwistingen over de juiste betekening van de appeldagvaarding. Hoewel de dagvaarding aan het parket van het Openbaar Ministerie was betekend en een poging was gedaan om de dagvaarding aan het buitenlandse adres te betekenen, was de geïntimeerde daar niet aangetroffen. Het toepasselijke Haags Betekeningsverdrag 1965 derogeert niet aan de Nederlandse regels, waardoor betekening aan het parket voldoende is.
Het hof heeft daarnaast een exploot betekend aan de advocaat van de geïntimeerde in eerste aanleg, die contact onderhoudt met de bedrijfsjurist van de geïntimeerde. Hierdoor gaat het hof ervan uit dat de dagvaarding de geïntimeerde heeft bereikt. Op grond hiervan is verstek verleend en is de zaak verwezen voor memorie van grieven.
Uitkomst: Het hof verleent verstek tegen de buitenlandse geïntimeerde en verwijst de zaak voor memorie van grieven.